Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VAN 'S HEEKEN ORDINANTIËN.

de Israëlietische man is, aan wien de Heere Zijn wil als gebod oplegt, blijkt daar ook uit, dat het vijfde gebod volstrekt niet, zooals men het zich wel eens voorstelt, uitsluitend een gebod voor kinderen in den zin van nog niet volwassenen is.

Integendeel, ook de volwassene, de man in Israël, moest „eeren zijn vader en zijn moeder.

Allerminst wordt hiermede ontkend, dat dit ook eisch is voor vrouwen en voor onmondigen; maar dan toch altijd zoo, dat die hier niet uitdrukkelijk zijn genoemd, maar als er bij ingesloten moeten gedacht. Eigenaardig is hier ook, en wel bij de verregaande achteruitstelling van de vrouw tegenover den man in de oude wereld, dat in dit aan Israël gegeven gebod ook de moeder genoemd wordt.

De Romeinen, het volk van het recht, kenden slechts een ^patria potestas", een „vaderlijke macht"; dat er ook is een „ouderlijke" macht, is een gedachte, die eerst lang na de Romeinen opkwam.

In Israël echter dacht men van meet af ook aan de macht der

moeder. .

In de merkwaardige woorden van Leviticus 19 : 3, waar het vijlde en vierde gebod zijn saamgevoegd, gaat de „moeder" zelfs voorop. Daar toch lezen wij: „Een ieder zal zijne moeder en zijnen vader vreezen, en Mijne Sabbaten houden: Ik ben de Heere uw God.

Wat nu den zin van dat woord eeren betreft, dat, gelijk wij zooeven zagen, in Leviticus 19:3 met vreezen afwisselt, hebben wij te denken aan de gezindheid van hoogachting en ontzag, zich uitend in gehoorzaamheid en uitwendig eerbetoon tegenover hen, die macht of gezag- over ons hebben.

Niet alleen, dat wij God moeten eeren en vreezen, maar daar zijn ook menschen, die wij, omdat zij gezag over ons hebben, moeten eeren en vreezen.

Allereerst moet de mensch dus eeren en vreezen zijn ouders.

Dat is Gods wil.

Een ordinantie des Heeren in de zedelijke wereld.

Ontzag voor het gezag.

Ook voor het gezag, dat menschen over ons hebben.

Onze naasten en dus ook onzen vader en onze moeder moeten wij liefhebben; daar is ook een „natuurlijke^ liefde" van het kind voor zijn ouders. Maar onze ouders moeten wij óók „eeren"; hun met hart, mond en hand, met gezindheid, woord en daad, ontzag betoonen.

Nu komt het bij de Tien geboden vooral aan op hun geestelij/ verstand. Om daartoe te geraken, moet men wel inzien, dat er in een gebod veel meer zit, dan de woorden zelf uitdrukken. De woorden toch duiden slechts een deel aan van een geheel, en al dat andere moet men

Sluiten