Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VAN 'S HEEREN ORDINANTIËN.

beloofd wordt, beteekent dan niet, dat ieder Israëliet, die maar zijn ouders eert, oud zal worden en geluk zal hebben, maar dat het volk duurzaam in Kanaan zou wonen; dat het Israël in Kanaan zal welgaan, indien de Israëliet zijn ouders eert.

En zóó is de belofte dan ook stipt vervuld.

Het: „Vervloekt zij, die zijnen vader of zijne moeder veracht/" uit Deuteronomium 27 : 16, leefde diep in het Israëlietische volksbewustzijn.

Het eeren van de ouders was in Israël, al waren ook daar wel ondeugende kinderen, een volksdeugd, gelijk ook het eeren van vader en moeder nog een deugd van het Jodendom is.

En let men nu op het zooveel langere volksbestaan van Israël in zijn land, tegenover het zooveel kortere bestaan, dat andere volkeren hadden, dan blijkt ook hier weer, dat de Heere een Waarmaker van Zijn Woord is.

Ja, mits dus opgevat, is deze belofte ook algemeen menschelyk. In China b. v., waar eveneens het eeren der ouders een volksdeugd is, vindt ge, dat het volksbestaan eeuwen en eeuwen telt.

Worden onder een volk de ouders geëerd, dan moet dit ook gunstig werken op zijn bestaan. Immers, juist in het gezinsleven wortelt zoowel het sociale als het staatsleven. Is het eerste gezond — en dat is het, wanneer het ouderlijk gezag er in eere is, — dan werkt dit ook gunstig op maatschappij en staat.

Verder moet hier nog de vraag besproken, hoe de apostel Paulus kan zeggen, dat het vijfde gebod het eerste gebod is met een belofte. In Efeze 6 toch, waar hij zich tot de kinderen richt, schrijft hij in vs. 2 en 3: „Eert uwen vader en moeder, hetwelk het eerste gebod is met eene belofte, opdat het u welga en gij lang leeft op de aarde."

Velen nu komt dit eenigszins vreemd voor, omdat er, zeggen zij, toch ook achter het tweede gebod een belofte staat: „En doe barmhartigheid aan duizenden dergenen, die Mij liefhebben, en Mijne geboden onderhouden." (Exodus 20:6; Deut. 5: 10.)

Wanneer men echter in het oog houdt, wat wij vonden bij de bespreking van het tweede gebod, dat de woorden in Ex. 20: 6 en Deut. 5 : 10, als „belofte" nevens de „bedreiging", tot de sanctie van heel de Wet, dus van al de geboden behooren, dan is dit zeggen van den Apostel minder vreemd.

Maar ook zoo blijft er nog iets over, dat bevreemden kan.

Wie spreekt van een eerste belofte, moet ook kunnen spreken van een tweede, een derde.

Noemt de Apostel nu, wijl Exodus 20 :6 en Deut. 5:10 voor al de I ien geboden gelden, het vijfde gebod het eerste gebod met een belofte, dan zou men verwachten, dat er nog minstens een tweede gebod met een belofte moest volgen.

Maar dit is niet zoo.

Onder de zes geboden, die nu volgen, het zesde tot en met het tiende, is geen enkel gebod met een belofte.

Sluiten