Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VAN 'S HE ER EX ORDINANTIËN.

Wij komen thans tot een uiteenzetting van wat onder het menschelijk gezag is te verstaan.

„Gezag" en „macht" worden dikwijls door elkaar gebruikt, maar zijn toch niet geheel hetzelfde.

Wat de afleiding der woorden betreft, hangt macht saam met „vermogen", in den zin van „kracht", terwijl „gezag" samenhangt met „zeggen".

Iemand, die over een ander heeft te zeggen, heeft over dien ander „gezag", en die andere moet naar hem hooren.

Macht kan men ook hebben over wat niet naar ons hooren kan; over levenlooze voorwerpen.

„Macht" is dus ruimer dan „gezag".

Vraagt men nu naar den grond of de bron van het menschelijk gezag, met andere woorden: waarom de eene mensch over den anderen te zeggen heeft, zoodat die andere naar hem hooren moet, er zedelijk toe verplicht is, dan is hier maar één, verstand en gemoed bevredigend, antwoord, en wel, dat grond of bron van het menschelijk gezag het gezag van God den Heere Zelf is.

Met het wegvallen van het geloof aan God den Almachtige, Schepper van hemel en aarde, is dan ook de zedelijke grondslag voor het menschelijk gezag ondermijnd.

God de Heere is als Schepper Souverein over Zijn schepselen.

Wijl het schepsel in alles afhankelijk is van zijn God, is Gods souvereiniteit over het schepsel onbeperkt. Over Zijn zedelijke schepselen, over menschen en engelen, die Zijn zeggen hooren kunnen, die Zijn geboden moeten gehoorzamen, heeft God een onbepaald gezag.

Dit gezag nu oefent God deels onmiddellijk over 's menschen „leven" in enger zin en over wat wij kortheidshalve het „geweten" noemen, deels middellijk, en wel over wat ligt buiten het „leven" in enger zin en buiten wat wij het „geweten" noemen, door „menschen over menschen".

In dien zin zegt dan ook de Schrift: „Alleziel zij den machten, over haar gesteld, onderworpen; want er is geene macht dan van God, en de machten die er zijn, die zijn van God verordend." (Romeinen 13 : 1.)

Bij dit gezag van menschen over menschen draagt God Zijn gezag nooit over, maar gebruikt Hij slechts den dienst van menschen; oefent Hij, de Alomtegenwoordige, Zijn gezag door een mensch. Menschelijk gezag is dus altijd dienend tegenover God en heerschend tegenover den mensch.

Reeds omdat het ligt buiten de sfeer waarin God onmiddellijk Zijn gezag oefent, die van ons leven, zoodat niemand op eigen gezag een mensch mag dooden, en die van ons „geweten", zoodat ook niemand daarover mag heerschen, is het menschelijk gezag beperkter dan het Goddelijke.

Maar ook waar God door menschen over menschen gezag oefent, is er in de wijze, waarop menschen Hem daarin moeten dienen, een specifiek verschil.

Sluiten