Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET GEZAG. — HET GEZAG VAN DEN MAN.

Dan, tot dit alles is noodig een gezamenlijk gebruik maken van de middelen, die de Heere ons verordineerd heeft tot sterking van het geloof, van de godzaligheid en van haar praktijk, m. a. w. van den eercdienst in den ruimsten zin. Man en vrouw moeten niet slechts saam op den rustdag naarstiglijk komen tot de gemeente Gods; niet slechts dagelijks deelnemen aan de huiselijke godsdienstoefening, maar zij moeten, al is het dan ook maar in een kort gesprek of een gemeenschappelijk gebed, dagelijks, heel intiem, saam hun eeredienst houden. En inzonderheid op den rustdag moet er een oogenblik zijn, waarop man en vrouw zich aan elkander geven om, teruggetrokken uit het tijdelijk-aardsche, zich te heiligen in het eeuwig-hemelsche; een saam uitwendig Sabbat houden, om dus in elkander te bevorderen het inwendig

Sabbat houden. ,

Is nu het leven der beide echtgenooten niet alleen rijk gesierd door Gods bijzondere genade, maar ook door Zijn gemeene Gratie^ dan behoort tot de taak van het „elkander trouw helpen en bijstaan^ ook een uitwisselen van gedachten over en een genieten in die dingen, waarvan het gemis zeker aan de zaligheid niet deert, en evenmin aan een niet al te hoog gespannen ideaal van levensgeluk hindert, maar waarvan het bezit toch even zeker het levensgeluk verhoogt, verrijkt en het leven zelf, zoo al niet immer verdiept — want dat doet ten slotte alleen de religie — dan toch verbreedt. Wat wij hier bedoelen, is het spreken over en het genieten van man en vrouw saam in de dingen van wetenschap en kunst; het spreken over de dingen van land en volk, maatschappij en staat, en, zoo mogelijk ook, het genieten in de aanvankelijke verwezenlijking hunner sociale en politieke idealen. Dat dit alles niet „wereldsch" is in den slechten zin, waarin de Schrift dit woord óók gebruikt, kan 'n Christen verstaan, die heeft leeren zien in de wetenschap een nadenken door den mensch van de gedachten Gods, neergelegd in Zijn schepping; in de kunst een weer te voorschijn brengen door den mensch van de heerlijkheid Gods, uit en door het onder de zonde zuchtend zinnelijk-aardsche; en in de worsteling der menschen om het recht op maatschappelijk en staatkundig gebied, de barensweeën, die de komst van het Koninkrijk Gods als het rijk der glorie op aarde moeten voorafgaan.

In vergelijking nu met den man noemt de Schrift de vrouw het „zwakkere vat" (i Petrus 3: 7), en al komen er ook hier en daar monstruositeiten voor, metterdaad is de vrouw tegenover den man de zwakkere, de zwakkere naar het lichaam, maar ook, althans in zekere opzichten, naar de ziel. Daar zijn ongetwijfeld natuurlijke deugden, zooals levendigheid en innigheid van gevoel, teederheid, en kracht van te dulden, waarin de vrouw de meerdere is van den man; maar daarentegen zijn er andere natuurlijke deugden, zooals doorzicht en bezonnenheid, energie en volharding, waarin zij de mindere is van hem. Niet zoo geheel onjuist heeft men wel eens van vrouwelijke en mannelijke deugden gesproken. En in verband met den natuurlijken aanleg van man en

Sluiten