Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET GEZAG. — HET OUDERLIJK GEZAG.

Wijl nu de verhouding van man en vrouw in het huwelijk een zedelijk of gewild karakter draagt, en daarentegen die van ouders en kinderen in het gezin een bloot natuurlijk, verschilt het gezag, dat de man in het huwelijk over zijn vrouw oefent, van het gezag, dat de ouders in het gezin over hun kinderen oefenen, hierin, dat het laatste, althans over hun nog onmondige kinderen, een uitsluitend juridisch gezag is, terwijl het eerste, het gezag van den man over zijn vrouw, zeker allereerst een gezag van rechtswege, een juridisch gezag is, maar toch-ook met het element van zedelijk g^zag moet zijn gemengd. Wat een ouder niet verplicht is aan zijn kind, is daarentegen wel de man verplicht aan zijn vrouw: met haar te redeneeren ; haar de gronden waarop zijn wilsbesluit rust, te doen kennen ; haar over de deugdelijkheid dier gronden te laten oordeelen, en wel zoo, dat zij daarin zijn geestelijke meerderheid erkent.

En verder zal, om in te zien waartoe deze autoriteit of dit uitsluitend en zuiver juridisch gezag, dit gezag dat in het gezin van rechtswege aan de ouders over hun kinderen toekomt, werken moet, het ^ ook noodig zijn, ons nog eens te herinneren, wat het doel van het gezin is.

Dit doel hebben wij in het tweede hoofdstuk, als aan de hand van Aristoteles, leeren kennen als de voorziening van al wat de gezinsleden in het dagelijksch saamleven noodig hebben, en waarbij dan, zooals wij toen opmerkten, zeker niet alleen aan den „broodkorf" moet gedacht.

Wanneer alzoo in een gezin of natuurlijke gemeenschap van ouders on kinderen voorzien wordt in de, zoo geestelijke als lichamelijke, behoeften voor het dagelijksch saamleven zijner leden, beantwoordt zulk een gezin aan zijn doel.

Nu is het saamleven van ouders en kinderen naar Gods ordinantie ook in dit opzicht anders dan het saamleven van man en vrouw, dat, waar man en vrouw dus dagelijks saamleven, zij elkander dan moeten helpen en bijstaan in alle dingen die tot het tijdelijke en eeuwige leven behooren ; ouders en kinderen daarentegen dus moeten saamleven, dat de ouders hun kinderen hulp en bijstand in alle dingen, die tot het tijdelijke leven behooren, geven en de kinderen die hulp en dien bijstand van hun ouders ontvangen.

Gaat het alzoo in het gezin toe zooals het zijn moet, dan kan er van een wederzij dsche hulp tusschen de ouders en hun kinderen geen sprake zijn; mogen de ouders van hun nog onvolwassen kinderen geen hulp eischen. En de hulp, die nochtans in het huishouden de moeder van haar dochtertje, en in het ambacht of bedrijf de vader van zijn zoontje krijgt, is dan ook niet dan bijkomstig; mag door de ouders nooit voor zich zelf als doel gezocht, maar moet altijd middel zijn om het kind te leeren.

Had nu de mensch, evenals het dier, slechts lichamelijke behoeften, dan zou de voorziening in de gezinsbehoeften met die aan voedsel en deksel vrij wel ophouden. Zoo ziet men het dan ook b.v. bij de vogels in hun nesten en de vossen in hun holen.

Sluiten