Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET GEZAG. — DE KINDERLIJKE GEHOORZAAMHEID.

Wanneer de heilige liefde ook bij het dienen van God in het oefenen van het ouderlijk gezag het beginsel is, zal dit het midden houden tusschen al te groote toegeeflijkheid en al te groote strengheid. Is van de eerste een Ëli, die, „als zijne zonen zich hebben vervloekt gemaakt, hen niet eens zuur heeft aangezien," (i Samuël 3 : 13^) tot een waarschuwend voorbeeld voor alle ouders, wier liefde voor hun kroost meer op de liefde der apen voor hun jongen, dan op de liefde der menschen voor hunne kinderen lijkt; tegen al te groote gestrengheid waarschuwt ons de heilige Apostel. In zijn brief aan Efeze roept hij de vaders even dringend toe, hun kinderen op te voeden in de vreeze en vermaning des Heeren, d. i. in het hun ernstig aan het hart leggen van wat de Heere in Zijn Woord gebiedt, als hun kinderen niet te verwekken tot toorn, d. i. ze niet door te groote en dus onbillijke gestrengheid krenkend te bejegenen.

Een kind voelt niets dieper dan onrecht.

V.

DE KINDERLIJKE GEHOORZAAMHEID.

Gij kinderen! zijt uwen ouderen gehoorzaam in alles, want dat is den Heere welbehaaglijk.

colossensen 3 : 20.

Aan het den ouders door God verleende recht op de gehoorzaamheid hunner kinderen beantwoordt de door God aan de kinderen opgelegde plicht tot gehoorzaamheid aan hun ouders.

Spreken wij hier van rechten en plichten, toch is daarom de verhouding van ouders en kinderen nog geen rechtsverhouding in den gewonen en gangbaren zin des woords.

Verstaat men onder een rechtsverhouding tusschen personen een verbintenis, waarin zij, als dragers van wederzijdsche rechten of bevoegdheden en daaruit volgende verplichtingen, tegenover elkander staan, — zulk een verbintenis is, door den natuurlijken band, die tusschen ouders en kinderen bestaat, zelfs ondenkbaar.

Ouders hebben recht op hun kinderen tegenover derden. Het zijn hun kinderen en als zoodanig hun eigendom, waarover alleen zij en niemand anders, zij het ook onder verantwoordelijkheid aan God, hebben te beschikken, en dan is het zeker waar, dat er geen eigendom is, waarover de mensch minder vrij heeft te beschikken dan over zijn kinderen.

Ouders hebben recht op de gehoorzaamheid hunner kinderen, omdat God hun dat recht heeft geschonken, en zij hebben den plicht om hun kinderen te voeden en op te voeden, omdat God hun dezen plicht heeft opgelegd.

Maar ook waar ouders in de vervulling van dezen plicht te kort

Van 's Heeren Ordinantiën. IV. 3

Sluiten