Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VAN 'S HEEREN ORDINANTIËN.

Zoo eischt het ook de Schrift.

„Gij kinderen ! zijt uwen ouderen gehoorzaam in alles, want dat is den Heere welbehaaglijk," schrijft de Apostel in Colossensen 3 : 20; en in Efeze 6 : 1—3 schrijft hij: „Gij kinderen! zijt uwen ouderen gehoorzaam in den Heere; want dat is recht. Eert uwen vader en moeder (hetwelk het eerste gebod is met eene belofte), opdat het u welga, en gij lang leeft op de aarde."

De Heere vloekt de ongehoorzaamheid der kinderen; het gemis aan ontzag voor de ouders. „Vervloekt zij, die zijnen vader of zijne moeder veracht." (Deut. 27: 16.)

En wanneer de wijze in Israël de sociale misstanden zijner omgeving teekent, dan spreekt hij ook van „een geslacht, dat zijnen vader vervloekt, en zijne moeder niet zegent" (Spr. 30: 11); maar ook acht hij dezulken blijkbaar zoo vloekwaardig, dat hij een eerlijke begrafenis te goed voor hen acht, wanneer hij zegt: „Het oog, dat den vader bespot, of de gehoorzaamheid der moeder veracht, dat zullen de raven der beek uitpikken. en des arends jongen zullen het eten." (Spr. 30: 17.)

Deze gehoorzaamheid moet geleerd.

Het zeer jonge kind, dat nog niet denkt en wil en dus nog niet gehoorzamen kan, gaat met zijn uitsluitend sensitieve of zinnelijke levensuitingen telkens tegen allen regel in en moet door overmacht gewend. Maar ook als het geestesleven uit de sluimering ontwaakt is en het kind dus denken en willen gaat en alzoo gehoorzamen kan, toont zich de macht van de zonde in de neiging tot ongehoorzaamheid.

Het kind wil niet, wat het en zooals het willen moet.

Deze onwil nu, dien God alleen kan omzetten, moet door de ouders althans gestuit, getemperd.

Hun gezag moet er tegen ingaan.

Zeker kan dan het opwekken bij het kind van de liefde, de natuurlijke liefde voor zijn ouders, door een woord van teederheid uit den mond, of zelfs maar door een vriendelijken blik uit het oog van vader of moeder, den onwil overwinnen, maar toch mag het zelfs nooit den schijn hebben, alsof gehoorzaamheid wordt afgesmeekt.

Het gezag, ook het ouderlijk gezag, heeft niet te bidden, maar te gebieden.

En onwil, die voor liefde niet wijkt en voor gezag niet buigt, moet door tucht gebroken.

Door tucht en niet door straf.

Al noemt men tucht ook wel straf in ruimer zin, in enger en strenger zin is „straf" iets anders dan „tucht".

Bij straf gaat het om het handhaven van het recht tegenover het onrecht. Straf doelt op vergelding, op vergoeding, op voldoening van door onrecht geschonden recht. En zeker zijn ouders van Godswege

Sluiten