Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET GEZAG. — DE KINDERLIJKE GEHOORZAAMHEID.

ook verplicht, waar hun kind zich heeft vergrepen aan het „recht , het te „straffen"; in de smart, gewekt door het opleggen van een natuurlijk kwaad, het kind te doen boeten de schuld, die het door zijn zedelijk kwaad op zich heeft geladen.

Zij zijn dit verplicht als handhavers van het recht in het gezin; verplicht, wijl zij dus aan het kind leeren, dat er een aardsche gerechtigheid is, waaraan men niet straffeloos zich vergrijpt. Door dezen plicht te verzuimen, wordt het rechtsbesef in het kind verzwakt, en het hem zoo bezwaarlijk, straks ernst te maken met de eeuwige gerechtigheid. _ ,

Wie geen krachtig rechtsbesef heeft, voor dien is ook het kruis van Christus, de voldoening aan de eeuwige gerechtigheid, ijdel.

Bedoelt straf slechts vergelding, bij tucht gaat het om verbetering, om het ongehoorzame kind gehoorzaamheid te leeren, zijn onwil te breken.

Naar de wet des zedelijken levens, dat men door lijden doen leert, dat het lijden zedelijk reinigt; wordt in de tucht of de kastijding een lijden door de ouders over hun kind gebracht. Door de ouders, die hierin als navolgers Gods moeten handelen, want „dien de Heere liefheeft, kastijdt Hij, en Hij geeselt eenen iegelijken zoon, dien Hij aanneemt". (Hebreen 12:6.) .

En hierbij is het nu de plicht der kinderen, ook door dit lijden zich

gehoorzamen te laten leeren.

Zeker is alle lijden smart.

„En alle kastijding, als die tegenwoordig is, schijnt geene zaak van vreugde, maar van droefheid te zijn ; doch daarna geeft zij van zich eene vreedzame vrucht der gerechtigheid dengenen, die door dezelve

geoefend zijn." (Hebreen 12: 11.) _

Maar daartoe is dan ook noodig en is het plicht voor een kind, dat het zich, zoo aan de kastijding als aan de straf zijner ouders, met „behoorlijke gehoorzaamheid onderwerpt". „

Er is toch niet slechts een „dadelijke", maar ook een „lijdelijke gehoorzaamheid ; een willen lijden ; zoodat men zich niet onder de stra of de kastijding verhardt, er ongevoelig onder blijft, maar het lijden, dat men verdiend heeft of dat noodig is, wil voelen.

Noemden wij hierboven de blinde gehoorzaamheid aan het ouderlijk gezag een kinderplicht, zoodat het kind alleen en uitsluitend omdat vader of moeder het gebiedt, iets moet doen of laten, daar is maar één geval denkbaar, waarin het kind zich van dezen plicht mag ontslagen achten : het geval, dat het, bij genoegzame ontwikkeling van zijn zedelijk oordeel — iets, wat echter bij jonge kinderen nog niet mogelijk is, — tot de ontdekking zou komen, dat het gebod zijner ouders in strijd is met de geboden Gods. Ook dan toch geldt voor het kind, dat men Gode meer gehoorzamen moet dan den menschen.

Maar daarentegen mag het kind nooit, ook waar het zedelijke zwakheden en gebreken in zijn ouders ontdekt, zich aan hun gezag

Sluiten