Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET GEZAG. — HET GEZAG DER HEEREN EN VROUWEN.

langer door het ontvangen van onderwijs bezet is — al geringer wordt.

Zoo zou dan de vrouw voor alles alleen staan en zouden alle mechanische verrichtingen ten behoeve van het gezin voor haar rekening komen.

Afgezien nog, dat zij bij tijden zelf verzorging noodig heeft en de meest ijverige vrouwenhanden dan geen werk kunnen doen, zou deze taak haar te zwaar zijn. De vrouw van iederen man, die ook maar iets hooger staat dan een sjouwer of een niet al te bekwaam werkman, ware er alzoo slechter aan toe dan hun vrouwen.

Daarom nu is het in gezinnen van niet al te lagen stand noodig, dat anderen er hun diensten bieden; hetzij dan tijdelijk, gelijk de „schoonmaakster", die zoo nu en dan ook de vrouw van den werkman helpt; of de „naaister", die ook in het gezin van den kleinen burger, al is het maar iedere veertien dagen, moeder komt helpen om den boel heel te houden; hetzij dan voortdurend, gelijk bij hen, die een of meer dienstboden in hun huis hebben.

Hoewel nu in de menschelijke samenleving het verschil in stand natuurlijk en dus van God gewild is, en het ook voor verreweg de meeste gezinnen een werkelijke behoefte is, dat vreemden er hun diensten bieden voor die mechanische verrichtingen, welke voor het gezinsleven noodig zijn, mag men daarom nog niet zeggen, dat sommige menschen van nature bestemd zijn om anderen dus te dier.en, of m. a. w. dat de dienstverhouding een natuurlijke verhouding zou wezen.

Toch heeft men dit eeuwen lang gemeend. Zelfs een zoo diepzinnig man als de Grieksche wijsgeer Aristoteles (f 322 v. Chr.) leerde, dat sommige menschen, die van nature slechts geschikt waren voor lichamelijk werk, volkomen te recht beheerscht werden door hen, die vaardigheid bezaten voor geestelijke werkzaamheden; ja, dat deze laatsten evenzoo boven de eersten verheven waren, als de goden boven de menschen, de menschen boven de dieren, de geest boven het

lichaam. .

De bedoeling van den philosoof was daarbij, de rechtmatigheid te verdedigen van de slavernij, die, evenals in heel de oude wereld, ook bij de Grieken bestond. En hij ging dan ook zelfs zoover, dat hij beweerde: van nature zijn de menschen reeds lichamelijk öf tot vrijen óf tot slaven bestemd. Zij toch, die een krachtig lichaam, maar een zwakken geest hebben, zijn evenzeer geboren slaven, als menschen met een zwakker lichaam, maar een krachtiger geest, geboren vrijen. En wijl volgens hem over het algemeen het laatste van de Grieken en het eerste van de barbaren of alle niet-Grieken gold, zoo waren de Grieken de geboren meesters en de niet-Grieken de geboren slaven. En hoewel hij zedelijk hoog genoeg stond om een milde behandeling van de slaven aan te bevelen, is toch volgens hem de slaaf een bezield, van zijn heer afgezonderd, werktuig tot practische verrichtingen, en nog wel 'n mensch, maar toch 'n mensch, die niet aan zich zelf, doch aan zijn heer behoort.

Ook deze definitie van den meester in het bepalen van begrippen laat aan juistheid niet veel te wenschen.

Sluiten