Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VAN 'S HEEREN ORDINANTIËN.

bij het saamleven der gezinnen voorzien zij ook hier in elkanders behoeften.

De behoefte aan gezelligheid, een natuurdrift in den mensch vindt straks rijker bevrediging, wanneer het gezellig verkeer zich niet beperkt tot de leden van het gezin, maar kinderen en groote menschen uit verschillende gezinnen deelnemen aan elkanders spel.

Maar ook de behoefte aan kennis, aan mededeeling van, door de vorige geslachten reeds verkregen, kennis omtrent wereld'en leven aan het nieuwe geslacht; aan kennis ook, hoe men handelen en maken moet ; aan kennis bovenal van wat men weet uit Gods openbaring — wordt al rijker vervuld, wanneer, door samenwerking en verdeel'ing van arbeid, uit het gezin de school opkomt en de ouders niet meer alleen de opvoeders en onderwijzers hunner kinderen zijn, maar ze ook door anderen „doen en helpen onderwijzen".

En het is weer de verdeeling van arbeid in het menschelijk samenleven, waardoor in het wetenschappelijk bedrijf reeds verkregen kennis verrijkt wordt en waarvan dan in hoogere scholen de toepassing op het leven in zijn verschillende kringen, geleerd wordt.

En wat dus van de wetenschap geldt, gaat evenzeer door voor de kunst.

Er ligt waarheid in het woord, dat „ieder kunstenaar moet zijn" en wel deze waarheid, dat ieder mensch oog en zin moet hebben voor orde, voor harmonie, voor schoonheid; maar toch zijn, om kunstenaar in enger zin te wezen, bijzondere gaven noodig en ontwikkelt zich eerst de kunst bij de samenwerking der voor verschillende kunsten begaafden.

En verder, wordt het karakter gevormd eerst in den strijd van het leven, en voedt niet alleen het gezin en de school, maar ook het leven ons zedelijk op, de zedelijkheid of de deugd zal zooveel vaster en rijker worden, naarmate de goede wil zich op meerdere gebieden van menschelijk saamleven heeft weten te handhaven tegenover de verzoekingen ten kwade.

En eindelijk, is de religie allereerst een zaak van het hart en in haar hoogste uiting aanbidding, zij is ook een dienen van God in het leven. Het gemeenschapsgevoel echter, dat zich openbaart ook bij de religie, dringt er den mensch toe, zoo mèt anderen zijn God te aanbidden en te dienen in het leven, als door gemeenschappelijken cultus of eeredienst zijn religie te sterken. Aanvankelijk binnen den kring" van ^ het gezin, doet hij dit straks ook in saamwerking* met anderen, die niet tot zijn gezin behooren. En juist in dat gemeenschappelijk aanbidden en vereeren van uw God, in een kring van hen, die met u omtrent het onzienlijk-eeuwige in overtuiging één zijn, ligt dan zoo machtige versterking; denk maar aan uw, inzonderheid op den Sabbat, dat is den rustdag, tot de gemeente Gods naarstig-liik komen. °

Ware er nu in de natuur geen het menschelijk bestaan bedreigende machten en in de harten der menschen geen zonde, dan zou dit

Sluiten