Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET GEZAG. — HET SOCIALE GEZAG.

Schriftwoord uit Efeze 5: 21 dat wij boven dit en het vorige hoofdstuk plaatsten: Elkander onderdatng zijnde in de vreeze Gods.

Gelijk wij zoo dadelijk zullen zien, spreekt de Apostel hier bepaald van de Christelijke onderdanigheid, en wijl nu ook het gezag waarover wij hier spreken, bepaald het Christelijk gezag of, nauwkeuriger nog, de Christelijke gezagsoefening is, zullen wij, alvorens de gezagsverhouding op sociaal of maatschappelijk gebied in haar verbijzonderingen na te gaan, de Christelijke onderdanigheid, die aan het Christelijke gezag in het maatschappelijk leven beantwoorden moet, in haar algemeenheid teekenen.

Bezien wij daartoe het woord van den heiligen Apostel uit den brief aan Efeze wat nader.

Zooals reeds bij een vluchtigen blik op de woorden blijkt, hangt het: „elkander onderdanig zijnde in de vreeze Gods" of, volgens een andere lezing, „in de vreeze van Christus", nauw samen met het voorafgaande. Zien wij wat nauwkeuriger, dan blijkt, dat wij in deze woorden te doen hebben met een derde bijzondere vermaning, welke de Apostel uit het algemeene vermaan van vs. 18 : „En wordt niet dronken in wijn, waarin overdaad is, maar wordt vervuld met den Geest afleidt.

Dit vol of verzadigd worden in den geest met den Geest, als tegenstelling van het vol of zat worden in het lichaam met wijn, moet zich openbaren, dus vermaant de Apostel dan allereerst, zoo in het gezellig verkeer door het gebruik van het religieuze lied, als in de eenzaamheid door het stil in zijn hart den Heere in heilige melodieën lofzingen en psalmodieeren.

„Sprekende onder elkander met psalmen — de bekende OudTestamentische —, en lofzangen — hymnen op Christus of Jezus-liederen —, en geestelijke liederen — oden of zangen waarin de gewaarwordingen van het geestelijk leven zich uiten — zingende en psalmende den Heere in uw hart." (vs. 19.)

En bij dit gemeenzaam en eenzaam bidden moet dan, zoo vermaant de Apostel verder, het vervuld zijn met den Geest zich openbaren in het danken, het altijd en onder alles, dus óók onder leed en tegenspoed, dankbaar de liefdevolle hand van zijn God erkennen; iets wat slechts mogelijk is voor wie God kent als zijn Vader in Christus.

„Dankende te allen tijd over alle dingen God en den Vader, inden naam van onzen Heere Jezus Christus." (vs. 20.)

En bij deze gezindheid van bidden en danken in onze verhouding tot God, moet nu, zoo vermaant de Apostel eindelijk en in de derde plaats, het vervuld zijn met den Geest zich ook openbaren in de verhouding tot de menschen met wie wij saamleven, als onderdanigheid.

„Elkander onderdanig zijnde in de vreeze Gods", of „in de vreeze van Christus", (vs. 21.)

Elkander onderdanig zijnde; want, wijl de orde of de schikking, waardoor, in het saamleven der menschen, dezen onder en genen boven anderen gesteld zijn — b.v. het kind onder zijn moeder, maar

Sluiten