Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VAN 'S HEEREX ORDINANTIËN.

De verhouding van heer en knecht was, althans op de meeste gebieden van materieelen arbeid, alzoo die van heer en slaaf.

In het voorlaatste hoofdstuk hebben wij reeds gesproken over de slavernij en daarbij gewezen op de definitie of begripsbepaling, die Aristoteles van den slaaf geeft, als: een bezield, van zij n heer afgezonderd, werktuig tot practische verrichtingen, en nog wel 'n mensch, maar toch 'n mensch, die niet aan zich zelf, doch aan zijn heer hoort.

De slaaf het werktuig, het orgaan van zijn heer.

In onderscheiding van diens handen en voeten, een van hem afgezonderd orgaan, maar toch zijn eigen orgaan of werktuig, zijn eigendom, zoodat hij er, als over een zaak, op de meest volstrekte wijze over kon beschikken.

Op de meest volstrekte wijze, want de heer had de bevoegdheid, zijn slaven naar believen te doen paren, van hun vrouw en kinderen te scheiden, ze te verkoopen, uit te leenen, te tuchtigen, te dooden.

Deze slavernij, die men in heel de vóór-en buiten-Christelijke wereld altijd en overal aantreft, ontbrak ook in Israël niet, en al was zij daar ook, door de wetgeving, zeer verzacht, toch behoorde b.v. het recht van lichamelijke tuchtiging — blijkens Jezus' woord uit de gelijkenis van „den waakzamen dienstknecht" (Lukas 12 : 35—48) omtrent slaven die met vele slagen, en slaven die met weinige slagen geslagen worden, — zelfs in de tweede periode van Israëls volksbestaan nog tot de bevoegdheden van de heeren.

Het waren deze bezielde of levende werktuigen, wier krachten in de oude wereld, — en nóg in de buiten-Christelijke wereld, — werden gebruikt tot verrichting van materieelen arbeid bij landbouw en veeteelt, nijverheid en handel.

De verhouding tusschen heer en knecht was daarbij alzoo eenerzij ds die van despotisch gezag e" anderzijds die van slaa/sehe onderdanigheid.

Allereerst nu heeft, zooals wij reeds boven opmerkten, de meerdere waardeering van den arbeid, van den materieelen arbeid in het algemeen en van het handwerk of het ambacht in het bijzonder, wijziging gebracht in deze verhouding van heer en knecht.

Ook dit is een vrucht van de Christelijke beschaving.

De Banausia is in de Christenheid, wier heilige oorkonden verhalen, dat de stadgenooten van Hem, dien zij vereert als haar Heere en God, eens, in verwondering over Zijn machtige woorden en daden, elkander vroegen: „Is deze niet de timmerman, de zoon van Maria?" {Markus 6:3) — niet langer in minachting; de man met het schootsvel, wiens hand met schaaf en beitel het hout bewerkt, of wiens krachtige arm met den voorhamer het ijzer smeedt; de man aan den ploeg en de man aan den baktrog — liggen niet meer onder het vooroordeel van menschen te zijn van een lage en onedele gezindheid.

Maar in de tweede plaats is deze wijziging in de verhouding van heer en knecht tot stand gekomen, doordat in de Christenheid, dank zij de doorwerking der Christelijke beginselen, een einde is gemaakt

Sluiten