Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van 's heeren ordinantiën.

i gde eeuw, in ons maatschappelijk saamleven metterdaad gekomen.

Met name in den stand waar men zich bezighoudt met de voorziening in de stoffelijke behoeften der maatschappij, werd en wordt nog, in zeer breeden kring, het gezag geoefend als ware het 't recht van den sterkste, van den sterkste door het bezit; geoefend, wijl men, als de onrechtvaardige rechter uit Jezus' gelijkenis, „God niet vreest en geen mensch ontziet" (Luk. 18 : 2), met brutaal egoïsme.

En is het bij den afkeer, dien de mensch van nature tegen de onderdanigheid heeft, te verstaan, dat geen theorie over het recht van gezag meer in staat is tot voortdurende wederspannigheid te prikkelen ; meer in staat is, hem, die zich, door den nood gedrongen, aan het gezag moet onderwerpen, tot wanhoop te drijven ; evenzeer is het bij de wetenschap, dat liefde, ook natuurlijke liefde, nog wel onderdanigheid kan werken, te verstaan, dat het egoïsme van wie heerschen, moet uitloopen op het verzet van wie dienen ; dienen uit nood, om brood voor hun honger.

Wanneer men rekening wil houden met deze omstandigheden, ligt de zielkundige verklaring voor het gemis aan onderdanigheid bij de knechten vrij wel voor de hand.

Alleen van een waarachtige bekeering tot den levenden God, zoo van de heeren als van de knechten, is hier dan ook algeheele verandering te wachten.

Want al moet toegestemd, dat ook in ongeloovige kringen tegenwoordig bij sommige heeren het „altruïsme" — het, uit taalkundig oogpunt, zoo zonderlinge woord, waarmee men het „leven voor 'n ander" aanduidt — en de „verteedering des harten", m. a. w. de natuurlijke liefde, voor het egoïsme bij de gezagsoefening gaat plaats maken, — iets waarin wij Christenen de werking van de gemeene Gratie hebben te eeren, toch mist deze natuurlijke liefde het eigenaardige van de Christelijke, van de heilige liefde, die èn lankmoedig is èn niet zich zelve zoekt; het eigenaardige van de Christelijke liefde, welke het deel is van hen, die zich met een waarachtige bekeering tot God in Christus hebben bekeerd.

En zoo ook is echte onderdanigheid, „onderdanigheid in de vreeze van Christus", alleen mogelijk bij hen, die tot een waarachtige bekeering kwamen.

Daarom is het dan ook in onze dagen mee de roeping der Kerk van Christus om door haar prediking, niet slechts naar de meer dan eens gebruikte vergelijking, als Abigaïl bemiddelend op te treden tusschen den zelfzuchtigen Nabal en den hongerenden David (1 Sam 2,s), maar ook om in het algemeen egoïstische bezitters als Nabal te Maon en hongerende proletariërs als David in de woestijn Paran, waar zij in de verhouding van heeren en knechten tot elkander staan, tot waarachtige bekeering te roepen en tot telkens vernieuwde bekeering te wekken, opdat de heilige liefde ook blijve werken in hunne harten

Sluiten