Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET GEZAG. — HET SOCIALE GEZAG.

Dan, bij de ontkerstening der Christen volk eren door de „vrijzinnigheid", aangevangen in de i8d« en steeds toegenomen in de igde eeuw, een ontkerstening, waaruit zich het gemis aan onderdanigheid in de vreeze van Christus, zielkundig laat verklaren, is nog iets gekomen.

In vergelijking met vroegere tijden zijn de toestanden der Europeesche samenleving gedurende de eeuw en tot op onze dagen, minder

gunstig. Kan men, zij het ook altijd in betrekkelijken zin, spreken van de gezondheid van het organisme der maatschappij, met het oog op deze toestanden kan men spreken van zijn krankheid. De vraag nu, hoe in deze krankheden genezing, in deze misstanden verbetering is te brengen, is wat men noemt „het maatschappelijk vraagstuk" of „de sociale quaestie".

Al mag zeker niet voorbijgezien, dat deze sociale krankheden ook samenhangen met de zoo straks genoemde ontkerstening en het sociale vraagstuk dus óók een godsdienstige en een zedelijke zijde heeft, toch waren er bij de veroorzaking dezer sociale krankheden ook andere factoren in het spel en heeft mitsdien het sociale vraagstuk ook nog een andere zijde dan de religieus-ethische. De vraag toch, waar het bij de sociale quaestie óók om gaat, en zeker niet in de laatste plaats, is die, hoe de misstand in de verhouding tusschen kapitaal en arbeid te verhelpen zij.

De misstand van toenemenden rijkdom bij enkelen en toenemende verarming bij de groote meerderheid.

Deze vraag nu, die zeker óók samenhangt met de ons, door God in Zijn Wet gestelde norm voor de zedelijke beoordeeling van het willen en handelen ten opzichte van het aardsche goed, kan echter niet bij het vijfde, dat uitsluitend gaat over het gezag, maar eerst bij het achtste gebod besproken. Hier zij dan ook alleen opgemerkt, dat, wijl de vraag naar een betere verhouding tusschen kapitaal en arbeid volstrekt niet maar alleen den werkman, doch ook den boerenstand, ook den koopman en den winkelier, den fabrikant en den meester, ook onderwijzers en predikanten, dus ook den leer-statid en zeker ook den rt'eer-stand raakt, — „de sociale quaestie" waarlijk niet opgaat in wat men het „arbeidersvraagstuk" noemt en waarbij men dan uitsluitend aan de „werklieden" denkt.

Allerminst zij daarmede echter ontkend, dat laatstgenoemd vraagstuk, zij het dan ook slechts een deel, toch een zeer belangrijk deel van de sociale quaestie is.

Speelt in deze quaestie vóór alles de „broodkorf" zijn voorname rol, hem gevuld te houden door zijn arbeid, was gedurende de eeuw, die achter ons ligt, en nóg, inzonderheid vaak voor den werkman bezwaarlijk.

Bijzondere omstandigheden werkten daartoe mee. De toepassing van den stoom als beweegkracht en de verbetering der machine hadden vele handen onnoodig gemaakt; de daarmee saamvallende overbevolking had den arbeid tot een koopwaar gemaakt, waarbij het aanbod

Sluiten