Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET GEZAG. — HET KERKELIJK GEZAG EN DE ANARCHIE.

ambtenaar, 'n censor, van ccnseo: „ik schat, waardeer, oordeel", die o. m. het oppertoezicht over de zeden der burgers oefende.

Het ambt van zulk een censor heette censura, en dit woord ging later over in de kerktaal.

Zoo nu hebben ook de opzieners der Kerk te oordeelen over leer en leven, en wijl zij menschen zijn en dus alleen over „wat voor oogen is" kunnen oordeelen — over de woorden en daden hunner medemenschen. x

Doel nu van deze censuur is, zoo de eere Gods als de zuiverheid der Kerk in het algemeen, en van ieder harer leden in het bijzonder, zoo op het stuk der zaligmakende kennisse als der levenspractijk.

Dwalenden en gevallenen moeten, indien zij althans geen publieke ergernis hebben gegeven, door stil vermaan en bestraffing terechtgebracht. Alleen waar öf de dwaling hardnekkig gedreven wordt, óf de onzedelijke handeling een grove en openbaar geworden zonde is, moet de tuchtoefening in haar verschillende trappen van censuur — afhouding van het Heilig Avondmaal voor korter of langer tijd, zonder of met bekendmaking aan de gemeente, verbonden met den eisch van heimelijke of openbare betuiging van berouw; en, wanneer de zondaar zich niet bekeert, a/snijding door den ban — voortgaan.

Het doel ook van deze tucht is echter altijd, en dat zelfs in het uiterste geval — immers na den ban of de afsnijding van de gemeente van Christus kan ook weer volgen „de wederopneming der afgesnedenen" — te redden, te behouden; den zondaar van zijn verkeerden weg terug te voeren.

Eindelijk behoort als onderdeel van de kerkregcering, en alzoo als derde functie van het kerkelijk gezag, naast de bediening van het Woord en de oefening van opzicht en tucht, het maken van kerkelijke regelen, bepalingen of ordinantiën, die voor de goede orde in de kerk noodig zijn. Een gezag, dat men wel eens met den naam van den „derden sleutel" heeft aangeduid, en welks oefening ten doel heeft, wat de Apostel in i Corinthe 14:40 schrijft: „Laat alle dingen eerlijk en met orde geschieden." Zulke regels of bepalingen bezitten onze Gereformeerde kerken in hare kerkenordening, en verder in hare plaatselijke ordinantiën.

Bij de uitoefening van dit kerkelijk gezag in zijn drieërlei vorm nu hebben de ambtsdragers steeds te verstaan, dat deze hun macht niet anders is dan een „bedienende macht".

Zij dienen hierin slechts Christus, den Koning Zijner Kerk, die in het regeer en Zijner Kerk den dienst der menschen, hun dienst, gebruikt.

Zij hebben Hem dan ook slechts te dienen overeenkomstig Zijn Woord; overeenkomstig de Schrift.

Sluiten