Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET MENSCHELIJK LEVEN. — DE GROND VAN HET GEBOD.

dan de afdruk, de trekken van God in ons somatisch-psychisch bestaan ; in ons bestaan van met een lichaam verbonden ziel.

Dus is het menschelijk bestaan; hier op aarde en eens, na de opstanding, in de eeuwigheid. .

Eerst na den „staat der afgescheidenheid", den staat waarin lichaam en ziel van elkander gescheiden zijn; den staat, die met het sterven begint om met de zalige of onzalige opstanding te eindigen, zullen

wij weer bestaan als mensch. .

In ons aardsch bestaan als mensch is het nu onze roeping, wijl uoas wil, Zijn gebod, den afdruk, de trekken van het Goddelijke in ons te achten, te bewaren, te ontwikkelen.

Is plicht de ons door God geboden wijze van willen en handelen, dan is er, streng genomen, maar één plicht: de gehoorzaamheid aan

of het dienen van God.

Heel ons leven moet dan ook in dezen zin Gods-dienst zijn.

Toch kunnen wij bij dezen éenen plicht nader onderscheiden. Ons Ik of onze persoon staat allereerst in de relatie of de betrekking tot God, en daarna in de relatie tot wat niet-God, tot wat wereld is.

In de eerste relatie nu hebben wij onmiddellijke plichten jegens Lro , op de wijze zooals Hij wil: Hem te dienen in ons hart (iste gebod); te oefenen onzen eeredienst (2de gebod); te gebruiken Zijn openbaring

(3 de gebod). , .,

En in de tweede relatie, die waarin ons Ik tot de wereld staat, hebben wij weer te onderscheiden tusschen die, waarin ons //t staat tot ons lichaam en onze ziel, tot onze medemenschen en tot de aardsche

natuur. , f ,

In deze relaties hebben wij dus plichten jegens God or met net oog op ons zelf, óf met het oog op onzen naaste, óf met het oog op de

natuur. . . . ,

Op de wijze zooals God wil, hebben wij Hem te dienen in het leven, in ons eigen leven, in het saamleven met onze medemenschen, en ook, door in te werken op de natuur, haar te maken tot ons werktuig, tot ons orgaan; haar op te drukken den stempel van onzen geest, om mèt haar te dienen onzen God. Het is Gods wil, dat wij zes dagen van arbeid telkens afbreken door één rustdag zoo voor ons zeil als voor onze medemenschen (4de gebod); dat wij in het saamleven met onze medemenschen gehoorzamen aan hen, door wie het Hem belieft ons te regeeren, of ook gezag oefenen over hen, die het Hem door ons belieft te regeeren (5de gebod).

Zien wij nu op het zesde gebod, waarin God ons als Z.ijn wil oplegt. dat wij dus zullen willen en handelen, dat wij de trekken van het Goddelijke in het menschelijk bestaan achten, bewaren en ontwikkelen, dan hebben wij daarin alzoo den plicht jegens God zoo met het oog op ons zelf als met het oog op onze naasten te vervullen.

De trekken van het Goddelijke toch schitteren zoo in ons als in onze medemenschen uit.

Sluiten