Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VAN' 'S HEEREN ORDINANTIËN'.

Deze zelfliefde, gegrond in de, ieder levend wezen eigene, natuurdrift om in zijn bestaan te volharden, is eerst door de zonde tot zei/zucht geworden. Zij was, toen de mensch nog in zijn oorspronkelijke gerechtigheid stond, en wordt weer in den Christen, ondergeschikt aan de liefde tot God. Voor den mensch, voor den Christen toch moet God het hoogste goed zijn ; de zondige mensch zet zich zelf in de plaats van God.

Wij mogen niet slechts, maar wij moeten ons zelf liefhebben.

De menschelijke gemeenschap zou niet kunnen bestaan, wanneer ieder individu niet zich zelf liefhad en dus allereerst zorgde, zelf te blijven bestaan.

Mits wèlgeordend, d. w. z. ondergeschikt aan de liefde tot God, is de zelfliefde alzoo zedelijk goed.

Deze welgeordende zelfliefde is dan ook heilige liefde.

Zij komt in u, den zondaar, weer op uit het geloof, dat God u liefheeft en wat gij dan in u zelf liefhebt, waarom gij u zelf liefhebt, is: wat er van God m u is, Zijn beeld, Zijn Geest, Zijn gaven.

En omdat gij uw God liefhebt, wilt gij heel u zelf en al het uwe in dienst stellen van uw God, om er Hem mee te verheerlijken.

Uit den plicht jegens God om Hem lief te hebben, volgt ook de plicht, Hem lief te hebben met het oog op ons zelf.

Allereerst in betrekking tot ons leven; ons menschelijk leven.

Het^ is de Openbaring, de Schrift, die, door wat zij mededeelt omtrent 's menschen oorsprong en bestemming, zijn hooge waarde leert. Onze Heidelberger Catechismus drukt dit zoo juist uit in het antwoord op de 6de vraag: „God heeft den mensch goed en naar Zijn evenbeeld geschapen, dat is in ware gerechtigheid en heiligheid, opdat hij God zijnen Schepper recht kennen, Hem van harte liefhebben en met Hem in de eeuwige zaligheid leven zou, om Hem te loven en te prijzen."

Al wat de wereld, die buiten de Openbaring staat, van menschc7iwaar de heeft gezegd en nog zegt, haalt dan ook niet bij wat in dat „door God geschapen naar Zijn beeld" van 's menschen oorsprong en in dat „met Hem in de eeuwige zaligheid leven", van zijn bestemming wordt gezegd.

En om deze waarde van den mensch te verstaan, moet ge bedenken, dat „waarde" altijd ziet op de mate, waarin iets voor een ander begeerlijk is.

Welnu, het „mensch-zijn" was in zulke mate begeerlijk zelfs voor engelen, dat het sommigen hunner tot jaloerschheid wekte en Satan daarom in Gods Paradijs den mensch ten verderve bracht.

Dan, alzoo lief heeft God óók de menschenwereld, dat Hij haar uit dit \ erderf redt; dat Hij Zijn door Satan in den mensch geschonden

Sluiten