Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VAN 'S HEHREN ORDINANTIËN.

lichaamsoefening, die het gezond blijven bedoelt; door matigheid en reinheid; door doelmatige kleeding; door arbeid en orttspanning en ook door zich niet onnoodig „moedwillig in gevaar te begeven", — zijn gezondheid te bewaren.

En evenzoo blijft het plicht, door een zorgvuldige verpleging, met gebruikmaking van de middelen waarover de medische kunst — gave van Gods gemeene Gratie — beschikt, in dagen van krankheid te trachten het leven te bewaren.

De voorbidding voor de kranken en hun zalving met olie in den Apostolischen tijd, leeren wel allereerst, dat een Christen in geval van ziekte niet maar lijdelijk moet toezien, maar wel degelijk zorg dragen. (Jak. 5:14.) En in Paulus' woord aan Timotheüs: „Drink niet langer water alleen, maar gebruik een weinig wijns, om uwe maag en uwe menigvuldige zwakheden" (1 Timotheüs 5 : 23) —hebben wij een geneeskundig voorschrift.

Zeker kan God ook onmiddellijk werken; doch nog eens, Hij bindt ons aan de middelen, en alleen op het biddend gebruik der middelen mag een Christen van zijn God genezing verwachten.

Deze plicht tot zei/bewaring heeft echter zijn grenzen.

Het lichaam toch met zijn vleesch en bloed, zijn beenderen en zenuwen, zijn werktuigen voor de vegetatieve en animale levensverrichtingen, of die voor voeding en voortplanting en voor zintuiglijke gewaarwording en willekeurige beweging — heeft voor het menschelyk leven slechts beteekenis als orgaan van den geest, en voor en door dezen, althans bij den Christen, van den Heiligen Geest, zoodat het ook eens deel zal nemen aan de verheerlijking. „Uw geheel oprechte geest en ziel en lichaam worde onberispelijk bewaard in de toekomst van onzen Heere Jezus Christus," schrijft de Apostel (1 Thess. 5:23); en wij, Gereformeerden, belijden, dat het onze eenige troost in leven en sterven is, dat wij met lichaam en ziel, beide in leven en sterven, onzes getrouwen Zaligmakers Jezus Christus eigen zijn. (H. C. antw. 1.)

Dan, juist omdat ons lichaam slechts dienend orgaan van den geest is, en alzoo geen doel in zich zelf heeft, mag het niet anders in stand gehouden dan voor of ten behoeve van den geest.

Wij moeten eten en drinken om te leven ons menschelyk leven, en deze plicht is alzoo ondergeschikt aan dien tot hoogere, tot menschelijke levensverrichtingen. Zoo kunnen er omstandigheden zijn, waarin van ons geldt, wat van Jezus en Zijn discipelen geschreven staat: „En zij hadden zelfs geen gelegen tijd om te eten." (Markus 6:31.)

Het is niet waar, het mag voor u niet waar zijn, dat eten altijd vóór alles gaat.

Evenzoo is het met de zorg voor de gezondheid.

De plicht om door zorg voor de gezondheid ons lichaam en daardoor ons menschelijk bestaan te bewaren, moet altijd ondergeschikt blijven aan hooger plicht. Daarom moet zoowel de verweekelijking en vertroeteling van het lichaam, als de zwaarmoedige angst en vrees voor

Sluiten