Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VAN 'S HEER EN ORDINANTIËN.

der hemelsche heerlijkheid — verstaat een mensch, die niet tot geloof kwam, niets.

Toch streeft ook zulk een mensch, krachtens een hem ingeschapen drang, naar zelfachting.

Maar ook dit doet hij niet op de wijze zooals God wil.

Ook van hem geldt, wat Jezus eens zeide tot de Joden: „Hoe kunt gij gelooven, gij, die eer van elkander neemt, en de eer, die van God alleen is, niet zoekt?" (Joh. 5 : 44.)

Zulk een mensch toch vraagt niet naar wat hij voor God geldt, maar uitsluitend naar wat hij voor de menschen geldt.

Is hij zich nu te recht of ook ten onrechte voor zich zelf bewust, door zijn kennen en kunnen hoog boven zijn omgeving te staan, dan paart zich aan dit zelfbewustzijn een lustgevoel, dat, als elk lustgevoel, opwekt.

Hij voelt zich krachtig.

Maar wijl dit krachtsgevoel niet gepaard gaat met ootmoed voor God ; wijl zulk een mensch, naar het woord van Israëls profeet, „deze zijne kracht voor zijnen God houdt" (Habakuk 1 : 11); wordt hij ijdel en hoogmoedig, eigenzinnig en trotsch.

In zijn egoïsme moet alles middel worden voor hèm als doel.

In zijn alle gezag of autoriteit, ook het gezag van God, minachtende zelfverheffing komt het straks tot een God niet vreezen en geen mensch ontzien.

Is hij zich daarentegen te recht of ook ten onrechte voor zich zelf bewust, door zijn kennen en kunnen verre beneden zijn omgeving te staan, dan paart zich aan dit zelfbewustzijn een onlustgevoel, dat, als elk onlustgevoel, neerdrukt.

Hij voelt zich zwak.

En wijl hij geen vertrouwen op God heeft en daarom ook geen zelfvertrouwen, wordt hij mismoedig en onverschillig, versaagd en traag.

Zijn egoïsme slaat om in zelfhaat.

In zijn zich zelf wegwerpen, dat tot laaghartigheid wordt, en in zijn zich zelf verachten zonder zich voor God te verootmoedigen, verspeelt hij al meer zijn zedelijke kracht.

En zoo maakt dan de ingeschapen drang naar zelfachting, wanneer zij niet door de heilige liefde verzedelijkt en op de wijze zooals God wil geleid wordt, óf hoogmoedigen óf moedeloozen.

De valsche krachtigheid of de zwakheid, de slapheid der persoonlijkheid.

Het goed der zelfachting wordt den mensch tot een kwaad.

Een kind des Heeren, dat zich zelf ook hierin kennen moet of bij hèm de nog inwonende zonde in dit opzicht valsche krachtigheid dan wel zwakheid is, heeft de roeping, óf door deze valsche kracht te breken óf door zich zedelijk te harden, tegen deze zijne zonde te strijden.

En dit door de zonde zich zelf kwaad in stee van goed doen, komt ook uit in de zelfbewaring der menschen.

Sluiten