Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET MENSCHELIJK LEVEN. — ZONDIGEN TEGEN HET EIGEN LEVEN.

Is de zelf bewaring, als de instandhouding van het lichamelijk leven, een natuurdrang in den mensch, gelijk in alle levende wezens; bij den mensch is, gelijk wij zagen, deze zelfbewaring niet slechts instinct,

maar ook wilsdaad.

De mensch moet zijn lichamelijk leven ook willen bewaren.

Daarom gaf God hem daarvoor een gebod.

En ook tegen het zijn lichamelijk leven niet willen bewaren zooals God wil, gaat nu het verbod: Gij zult niet dooden.

Ook u zelf niet dooden.

Hierin ligt veel meer dan het verbod Gods tegen den zei/moord. ^

Deze is, in betrekking tot ons eigen leven, slechts de uiterste gradatie van de zonde tegen het zesde gebod.

Maar daarachter en daaronder ligt al wat God u van verwoesting van uw eigen lichamelijk leven verbiedt.

Voorop sta hier, dat geen mensch 'n volstrekt of absoluut recht op zijn leven, zijn lichamelijk leven heeft.

Dit recht toch heeft als uw souvereine Schepper alleen God, Wiens eigendom gij ook als mensch zijt. b

Te zeggen : „ik mag met mijn lichaam doen wat ik wil , is dan ook kortweg goddeloos.

Wij hebben integendeel te doen met ons lichaam wat God wil, en te willen in dit opzicht wat Hij wil.

X

Moet ons lichaam door eten en drinken bewaard, in stand gehouden, wij hebben dat te doen op de wijze zooals God wil.

Hij nu wil, dat wij daarbij matig zullen zijn, en verbiedt ons de onmatigheid. Niet alleen hij, die zich zelf het noodige voedsel onthoudt, maar ook de onmatige doet zich zelf kwaad.

De lust om te eten en te drinken mag niet ontaarden in eetzucht en drankzucht; in een verzot zijn °P eten en drinken, waarbij het voor den gulzigaard meer om de hoeveelheid, en voor den lekkerbek meer om groote keurigheid te doen is.

Zeker mag men en moet men ook in edele en wèltoebereide spijzen en dranken, wanneer God ze ons geeft, Zijn gunst erkennen, en heeft ook, zooals wij later hopen aan te wijzen, het „feestmaal" in het gezellige leven zijn zedelijke beteekenis, — maar dit alles, hee waar ook, mag ons nooit de gulzigheid of de lekkerbekkerij doen goedpraten.

Het brassen en slempen, het zwelgen, waarbij men aan den gezelligen disch zich aan onmatigheid schuldig maakt, is onzedelijk, en nog in hooger mate onzedelijk is de zucht tot eenzaam smullen en drinken.

Onmatigheid in spijs en drank toch verwoest op den duur het lichaam.

Ontwikkelt zich, doordat wij haar niet tijdig tegengaan, de onmatige begeerte naar spijs en drank tot een hartstocht, dan ontrooft ook deze hartstocht ons de helderheid des verstands en overheerscht onzen wil. En wijl alle hartstochten ziekteverschijnselen zijn, zoo zijn wij dan ziek naar de ziel en worden al zieker naar het lichaam.

Sluiten