Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET MENSCHELIJK LEVEN. — ZONDIGEN TEGEN HET EIGEN LEVEN.

In Bethesda, Gereformeerd Maandblad voor den arbeid der Barmhartigheid, gafDr. J. H. A. v. Dale, geneesheer-directeur van „Veldwijk", indertijd een reeks artikelen over: de Oorzaken der krankzinnigheid. In een dier artikelen : Misbruik van sterken drank, schreef hij: „Nu is het ontegensprekelijk, dat een groot aantal personen geregeld van alcoholische dranken als genotmiddel gebruik maakt, zonder dat de grens wordt overschreden, die, naar gangbare meening, gebruik van misbruik scheidt."

Van Dale noemt dan eerst vier gevallen, waarin volgens professor Wesener de grens reeds overschreden is:

1. Zoodra lichtere of zwaardere vergiftigingsverschijnselen optreden, m. a. w. zoodra men merkbaar onder den invloed komt (d. w. z. voor zich zelf of voor anderen merkbaar).

2. Zoodra ziekteverschijnselen zich vertoonen, mogen ze nog zoo licht zijn, die met alcoholgebruik in verband staan.

3. Zoodra men het gewone gebruik niet kan nalaten, zonder te lijden aan abstinentie-verschijnselen (slapeloosheid, gebrek aan eetlust, onaangenaam gevoel, verminderde werkkracht). Deze zijn de waarschuwing, dat het lichaam zich reeds aan het vergif gewend heeft, en dat, als men niet ophoudt, de dosis telkens moet worden vergroot.

4. Wanneer men dagelijks (of er vergiftigingsverschijnselen komen of niet), boven een zeker quantum drinkt. Dit varieert volgens de verschillende physiologen naar de individualiteit van den drinker van 5 tot 30 of zelfs tot 50 gram spiritus per 24 uren.

Na deze medische spreekt v. Dale alsnu van een ethische grens.

„Deze grens," zegt hij, „is overschreden uit het oogpunt van Christelijke moraal ten opzichte van de geestelijke zijde van 'smenschen leven, wanneer aan deze door Voetius gestelde voorwaarde niet meer kan worden voldaan : „dat men ondertusschen bekwaam zij om aandachtige gebeden en meditatiën tot God op te zenden en zijne beroepinge waar te nemen, met zijne naasten te handelen en te spreken."

Dr. v. Dale citeert hier, wat Voetius in zijn „Catechismus" over het zevende gebod op de vraag: Hoe verre gaat dan de verheugtnge •wel? — antwoordt.

Al ontkent men nu niet, dat zij, die binnen deze grenzen alcoholische dranken gebruiken, de kans loopen, deze grenzen te gaan overschrijden, en evenzoo, dat ook bij deze „summatie van kleinste giftwerkingen opeens ernstige ziekteverschijnselen kunnen ontstaan, toch kan men, ook met het oog op de hierboven vermelde uitspraak van 'n zoo bevoegd beoordeelaar als Prof. Stokvis was, nog niet zeggen, dat het drankgebruik op zich zelf, en afgezien van bepaalde omstandigheden, onzedelijk is.

Bij de bespreking van de sociale beteekenis van het zesde gebod komen wij nog eens op het alcohol-vraagstuk terug en zullen dan ook gelegenheid hebben, over de „geheelonthouding" te spreken. Hier zij er alleen op gewezen, dat wij de absolute uitspraak : drankgebruik is zonde, niet juist achten.

Sluiten