Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VAN 'S HEEREN ORDINANTIËN.

behouden. Daarom kan hij dan ook niet gelooven, dat, wanneer iemand de natuurlijke aandrift om te leven niet langer voelt, hij verkeerd zou doen er een einde aan te maken. Een mensch, wiens leven voor zich zelf een kwelling en voor anderen een last is, zoodat hij niemand schade of verdriet doet met het te vernietigen, doet daarmee volgens Hume geen onrecht.

En zoo wordt er ook in onze dagen door hen, die niet gelooven, dat God de beschikking heeft over ons leven, gedacht, en naar deze theorie, als de last hun te zwaar is geworden, óók gehandeld. Volgens Masaryck, een der jongste schrijvers over dit droeve onderwerp, wordt tegenwoordig in Europa jaarlijks door 50.000 menschen de hand aan zich zelf geslagen.

Alleen het krachtig besef, dat de mensch Gods eigendom en dus niet zijn eigen heer is, kan van zulk een misdrijf terughouden.

Het is dit besef, dat ons ook bijgebracht en in ons gesterkt wordt door de Schrift.

En juist omdat zij bij haar onderwijzing uitgaat van Gods volstrekte heerschappij, ook over den naar Zijn beeld geschapen mensch, was naast het: Gij zult niet dooden, als het verbod tegen het opzettelijk en eigenmachtig verbreken van 'n menschenleven in het algemeen, geen uitdrukkelijk verbod van zelfmoord noodig.

Het spreekt vanzelf.

Wie in het algemeen een mensch niet mag dooden, omdat hij het eigendom is van God, die hem naar Zijn beeld heeft geschapen, mag dit ook zich zelf niet doen, omdat hij mensch is en dus ook van hem geldt wat geldt van alle menschen.

Nu is het waar, dat het Oude Testament over de zes of vijf gevallen van volvoerden zelfmoord, die het verhaalt, geen zedelijk oordeel uitspreekt.

In Richteren 9: 54 lezen wij, hoe Abimelech — als bij de belegering van Thebez een vrouw, door een stuk van een molensteen op zijn hoofd te werpen, hem de hersenpan verpletterd heeft, zich door zijn wapendrager met diens zwaard laat doorsteken, om de schande te ontgaan van door een vrouw te zijn gedood. In h. 16:30, dat Simson, na van den Heere sterkte gevraagd te hebben om zich op de Filistijnen te wreken over zijn twee oogen, door het omrukken van de twee pilaren, waarop de Dagonstempel rustte, zich zelf en zijn vijanden in den dood stort. Verder in 1 Sam. 31 :4, dat Saul, om niet door de Filistijnen te worden gedood, als zijn wapendrager hem niet wil doorsteken, zich zeifin diens zwaard stort, waarop ook de wapendrager, ziende dat de koning dood was, zich in zijn zwaard stort (vs. 5). In 2 Samuël 17:23, dat Achitofel, toen hij zag dat zijn raad niet gedaan was, na bevel aan zijn huis te hebben gegeven, zich verhing. Eindelijk, in 1 Koningen 16: 18, dat Zimri, de koning van Israël, toen door Omri de stad Thirza was ingenomen, het paleis boven zijn hoofd in brand stak en stierf.

Sluiten