Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VAN 'S HEEREN ORDINANTIËN.

Dit alles nu geldt niet alleen van eikels en graankorrels, maar ook van den mensch en wel ,nheel zijn bestaan; in de ongedeelde eenheid van zijn lichamelijk-geestelijk leven.

Toch is er verschil. Een verschil, dat de zonde maakt

Al heeft de mensch door de zonde niet verloren zijn wezen; al is hij mensch gebleven, zijn natuur is door de zonde verdorven

De ontwikkeling van wat in hem, zoo naar lichaam als ziel, in aanleg of kiem gegeven is, sloeg om in haar tegendeel, d.w.z. loopt door en loopt uit op, in stee van het eeuwige leven of gemeenschap met God, het verderf en den dood of de scheiding van God; op het hoogste kwaad alzoo, in stee van op het hoogste goed.

Voor het lichaam komt dit reeds uit in allerlei ellende van gebrek, ziekte, kwaal en dood of scheiding van lichaam en ziel; en zal het eens uitkomen in de onzalige opstanding.

Voor de ziel komt dit reeds uit in allerlei booze neiging, in leugen en dwaling ongerechtigheid en goddeloosheid, ongeloof en haatf in allerlei afwijkingen en krankheden van de werkingen in het zieleleven en zal het eens uitkomen in den eeuwigen dood of de volstrekte scheiding van God.

Dan, al staat het zoo, dat bij den mensch de ontwikkeling dus in haar tegendeel omsloeg, dat zij niet alleen mist wat zij moest zijn om voor (*>d recht te wezen, maar ook, wijl zij ontwikkeling is, altijd door werkt naar een doel dat thans de dood en het verderf is, — toch blijft God van den mensch eischen, en is het daarom 's menschen plicht ten opzichte van zich zelf, zich op normale, d. i. door God gewilde wijze, en met het oog op zijn bestemming: het hoogste goed, de gemeenschap met God, te ontwikkelen.

En God doet ook daarin den mensch geen onrecht.

Want Hij schiep hem goed.

d® mensch boos en verkeerd werd, is zijn en niet Gods schuld. i\u heeft God in Zijn gemeene Gratie wel allerlei middelen geschonken om de doorwerking der zonde en daarmede de verkeerde ontwikkeling te temperen en te stuiten, doch ook zoo eindigt zij nog altijd in verderf en dood. Anders wordt dit eerst door een van 's menschen doen volstrekt onafhankelijke en daarom vrijmachtige daad van l-TOd, een daad van particuliere of bijzondere Genade ; particulier, omdat zij niet algemeen is, niet aan alle menschen hoofd voor hoofd, maar slechts aan de uitverkorenen wordt bewezen.

Bij deze daad van God is nu te onderscheiden tusschen wat Hij door Christus voor en tn den mensch doet; tusschen de rechtvaardiging, waardoor de mensch afkomt van zijn schuld en hersteld wordt in gunst, en de heiliging, waardoor in hem wordt omgezet al wat anders op verderf en dood uitloopt, waardoor in hem tot stand komt „die wedergeboorte, die vernieuwing, nieuwe schepping, opwekking van de dooden en levendmaking, waarvan zoo heerlijk in de Schriften gesproken wordt, dewelke God zonder ons in ons werkt" (Zie Leerregels van Dordt, hoofdst. III en IV, § 12.)

Kunnen wij, menschen, gelijk boven reeds is gezegd, niets meer doen dan ontwikkeling in het algemeen bevorderen of tegengaan,

Sluiten