Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VAN 'S HEEREN ORDINANTIËN.

Niet in wijze, want gij zult uw naaste liefhebben als u zeiven, zooals gij u zelf moet liefhebben, d. i. om God ; maar wel in maat. Nu zal niemand beweren, dat wij onze naasten in meerdere mate moeten liefhebben dan ons zelf, maar velen — al verandert dit al heel weinig aan hun practijk — beweren, dat men zijn naaste minstens in gelijke mate lief moet hebben als zich zelf.

Dit nu is onjuist.

In de eerste plaats ware zulk een eisch tegen de natuur der dingen, want ieder wezen tracht in zijn eigen bestaan te volharden.

Maar in de tweede plaats viel daarmee de mogelijkheid weg om, wanneer men hem metterdaad vervulde, ooit een daad van opoffering voor den naaste te verrichten. Opofferen toch onderstelt altijd, dat wat gij geeft waarde voor u heeft, dat het u iets kost. Tot Arauna zegt dan ook David : „Ik zal den Heere, mijnen God, niet offeren brandofferen om niet." (2 Sam. 24 : 24.)

Een offer, dat ons niets kost, is geen offer.

Een mensch, die God in meerdere mate liefheeft dan hij zich zelf liefheeft, kan Hem juist daarom een offer brengen.

Maar indien een mensch zijn naaste in gelijke mate liefhad als zich zelf, de zelfliefde even zwaar bij hem woog als de naastenliefde, zou hij nimmer tot een keuze, een beslissing komen, zou hij nimmer een offer voor zijn naaste kunnen brengen. Hij toch zou dan verkeeren in het geval van den ezel uit het bekende verhaal, die, staande tusschen twee met hooi gevulde zakken, verhongerde, omdat hij niet kiezen kon.

Dit nu is tegen de ervaring, die ons leert, dat menschen metterdaad voor hun naaste offers brengen, en hieruit volgt dus, dat de naastenliefde niet evenmatig met de zelfliefde kan zijn.

Wijl de vraag, of zij overmatiger dan de zelfliefde kan zijn, naar wij boven zagen, zelfs buiten geding blijft, moet zij dus wel in maat aan de zelfliefde ondergeschikt zijn. Het feit, dat 'n mensch zijn eigen belang achterstelt bij dat van den naaste — vaak zijn goed en zelfs zijn eigen leven voor hem ten offer brengt, moet dan ook verklaard uit zijn besef van plicht; uit zijn besef, dat God dit van hem eischt en hij zijn God in grootere mate liefheeft dan zich zelf.

Evenzeer nu als de naastenliefde, om welgeordend te wezen, ondergeschikt moet zijn aan de zelfliefde en, met die, aan de liefde tot God, zoo is er ook — en dit is het tweede, waarop wij hier hebben te wijzen, — in de naastenliefde zelf verschil.

Wij moeten zeker alle menschen liefhebben, omdat zij met ons uit éénen bloede geschapen zijn ; omdat zij Gods beeld dragen, Zijn eigendom zijn; doch Hij eischt niet van ons, dat wij alle menschen gelijkelijk zullen liefhebben.

Ook dit zou zijn tegen de natuur der dingen.

Wien God naast u zet, moet gij liefhebben met heilige liefde, al is en doet hij nog zoo onlief.

Maar toch staat de een nader tot u dan de ander.

Sluiten