Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET MENSCHELIJK LEVEN. — HET ACHTEN, BEWAREN ENZ.

En niet alleen met het gelaat, „eenig gelaat" (vgl. H. C., antw. 105), maar ook met het woord zult gij bewijzen de liefde van uw hart. Zeker, de liefde verblijdt zich niet in de ongerechtigheid, maar zij verb'lijdt zich met de waarheid. Wanneer gij uw naaste ongerechtigheid ziet doen, hebt gij hem ook in uw woord te bewijzen, dat gij u daarin niet verblijdt; ja, dit zelfs te bewijzen ook in den blik van uw oog. Maar het woord van terechtwijzing, van vermaan, van bestraffing, zij dan toch altijd het woord der toornende liefde. En de blik van uw Oog zij dan toch altijd als die, waarmee Jezus een Petrus bij diens ongerechtig-doen aanzag. Uit uw woord en uw blik moet uw naaste dan kunnen merken, dat gij den mensch in hem acht, en daarom juist zijn ongerechtig-doen veracht.

En eindelijk moet dit achten van den naaste ook uitkomen in uw, door den goeden wil geleid, handelen tegenover hem.

In uw daden.

God, die als Schepper over al Zijn schepselen souverein gezag heeft, stelde voor hen een ordinantie, een ordening, een orde.

Aan de natuurwezens „heeft Hij eene orde gegeven, die geen van hen zal overtreden" (Ps. 148:6); die geen van hen zelfs kan overtreden, omdat zij met rede noch wil zijn begaafd ; omdat hunner niet de vrijheid, maar de noodwendigheid is.

Aan den mensch, en ook aan den engel, gaf Hij daarentegen, als aan met rede en wil begaafde en daarom zedelijke wezens, een orde, die zij ook kunnen overtreden, een zedelijke orde; maar die Hij, wanneer zij haar overtreden, wanneer zij er tegen zondigen, wanneer zij aan God, die haar stelde, ongehoorzaam zijn, tegenover hen handhaaft.

Deze door God gestelde wereldorde is het Recht in objectieven zin.

Het Recht, zooals het staat tegenover den mensch; waarvan de kennisse hem was ingeschapen: een kennisse, wel door de zonde verduisterd, maar die toch bleef in de beseffen van Recht, welke altijd en overal onder de menschen door de gemeene Gratie bewaard bleven.

Het is deze zedelijke wereldorde, waarvan de kennisse weer in grooter helderheid werd ingedragen in het bewustzijn van Israël bij de wetgeving op Sinaï en waarvan het kort begrip voor ons ligt in de Tien geboden, in de Wet des Heeren.

En een deel dier zedelijke wereldorde, dat deel van Gods ordinantiën voor het saamleven der menschen, is wat men gewoonlijk en in enger zin verstaat onder het Recht; het Recht, dat onder menschen moet gelden; het Recht, dat in de menschelijke wetten moet uitgedrukt, want alleen voor zoover menschelijke wetten gegrond zijn in Gods Wet, zijn zij recht.

Alle Recht toch is gegrond in God.

Sluiten