Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VAN 'S HEEREN ORDINANTIËN.

Wie zijn naaste door een slechte daad aanleiding geeft tot zondigen, geeft ergernis; doch wanneer de daad, de handeling op zich zelf niet slecht is, maar de naaste er zich aan stoot, omdat hij het verkeerd beoordeelt, neemt hij ergernis.

Nu is het plicht der liefde tegenover den naaste, om nimmer ergernis

te geven.

Bij het nemen van ergernis door den naaste, is echter tweeërlei te onderscheiden.

Neemt de naaste ergernis, omdat zijn zedelijk bewustzijn, zijn oordeel over goed en slecht, op het stuk van uw handeling nog dwaalt; zijn geweten nog „zwak" is, wijl het zijn weten aan het rechte inzicht ontbreekt; dan eiscUt de liefde, dat gij van zulke handelingen, als het even kan, u liever onthoudt, totdat gij hem door onderwijzing een beter inzicht hebt bijgebracht.

Neemt hij daarentegen, gelijk de Farizeën aan Jezus'handelingen, uit boosheid ergernis, dan moogt gij u niet onthouden.

Wat het eerste betreft, geldt ook ons het apostolisch vermaan: „Verbreek het werk van God niet om der spijze wil. Alle dingen zijn wel rein ; maar het is kwaad den mensch, die met aanstoot eet." (Rom. 14 : 20.)

Wat het tweede betreft, geldt voor ons het voorbeeld van onzen Heere en Heiland in Zijn optreden tegen het Farizeïsme.

IX.

ZONDIGEN TEGEN DES NAASTEN LEVEN.

Elkander hatende.

Titüs 3:3.

In dit hoofdstuk over het zesde gebod zullen wij, evenals bij de andere geboden, de schaduw- tegenover de lichtzijde, het verbod tegenover het gebod stellen.

In het: Gij zult niet dooden, verbiedt God u niet slechts in betrekking tot uw naaste, dat gij zijn leven zult „verbreken", maar ook al wat daartoe leiden kan.

En waar al wat Hij u in betrekking tot het leven van uw naaste gebiedt, om voor Hem goed te zijn, moet opkomen uit de heilige liefde, waardoor gij uw naaste lief hebt als u zei ven, is het juist de onheilige haat van het natuurlijk hart, waaruit opkomt al wat Hij u in betrekking tot het leven uw naaste verbiedt.

Sluiten