Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET MENSCHELIJK LEVEN. — ZONDIGEN TEGEN ENZ.

Zeker, de menschelijke wetgever kan niet verder gaan dan te verbieden de daad, de handeling, dat wat voor oogen is; maar de Goddelijke Wetgever gaat tot op de gezindheid, tot het verborgen leven des harten.

Wie nu dc gerechtigheid, d. i. de conformiteit of gelijkvormigheid aan Gods Wet, beperkt tot de daad, laat het ethische of zedelijke opgaan in het juridische, dit laatste dan genomen in den zin van het menschelijke recht; laat de moraliteit of de zedelijkheid opgaan in de legaliteit of de wettelijkheid.

En als men dan maar niemand opzettelijk doodgeslagen heeft, dan heeft men het zesde gebod: Gij zult niet doodslaan ! — vervuld.

Dit was de dwaling van het Farizeïsme.

Hiertegen komt Jezus op in de bergrede, als Hij spreekt van een gerechtigheid, „overvloediger dan die der Schriftgeleerden en der Farizeën".

In Israël stond op den moord, op het met opzet uit haat en vijandschap dooden van een mensch, de doodstraf.

In iedere stad van Palestina was een rechtbank, bestaande uit minstens zeven leden, die over den moordenaar het doodvonnis uitsprak, en welk vonnis voltrokken moest worden met het zwaard. Boven deze plaatselijke rechtbanken stond de groote raad of het Sanhedrin te Jeruzalem.

Wanneer nu de Heere zegt in Mattheüs 5:21: „Gij hebt gehoord, dat tot de ouden gezegd is : Gij zult niet dooden ; maar zoo wie doodt, die zal strafbaar zijn door het gericht", dan doelt Hij met dit laatste woord op deze plaatselijke rechtbanken. De schare, tot wie Hij spreekt, had bij het onderwijs in de synagoge telkens gehoord, dat aan de ouden, d. i. de vroegere generaties, gezegd was — en alzoo ook voor hèn gold: Gij zult niet dooden, en dat, wie dit verbod overtrad, schuldig was door het gericht.

Dit onderwijs, doortrokken van den geest van het Farizeïsme, was bij de uitlegging van het zesde gebod niet dieper gegaan dan de daad, en tegen deze oppervlakkige opvatting stelt nu Jezus den geestelijken zin der Wet.

„Doch Ik zeg u : zoo wie te onrecht op zijnen broeder toornig is, die zal strafbaar zijn door het gericht; en wie tot zijnen broeder zegt: Raka! die zal strafbaar zijn door den grootcn raad; maar wie zegt: Gij dwaas! die zal strafbaar zijn door het helsche vuur.'" (vs. 22.)

Zeker, ook Jezus leert, dat er gradatie in de zonde is. Dit toch blijkt ook uit Zijn woord tot Pilatus: „Die Mij aan u heeft overgeleverd, heeft grooter zonde" (Joh. 19: 11), en al is dan ook de haat de wortel van den doodslag, toch is er verschil in ontwikkeling tusschen wortel, tak Van 'sHeeren Ordinantiën. IV. 12

Sluiten