Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VAN 'S HEEREN ORDINANTIËN.

en vrucht. Maar desniettemin maakt reeds de haat en al wat er uit opkomt, strafbaar voor God; strafbaar in verschillende mate.

En hierop doelt Jezus in de bergrede.

Reeds het toornig zijn op den broeder — den volksgenoot; het toornig zijn als affect, als gemoedsbeweging; het toornig zijn, omdat men haat en dus zonder dat men daartoe een zedelijk recht heeft, — maakt schuldig; schuldig voor God; en wordt, zoo leert hier Jezus, naar analogie met wat de menschelijke gerechtigheid in het gericht doet, door Hem met tijdelijke straf vergolden.

Maar wanneer nu dit affect van onheiligen toorn zich uit in het schimpende woord, in een woord als Raka, een in die dagen veel gebruikt scheldwoord onder de Joden en dat zooveel als „leeghoofd", „domkop" of „deugniet" schijnt te hebben beteekend, — dan maakt dit in nog grooter mate schuldig; schuldig voor God; en wordt, zoo leert hier Jezus, naar analogie met wat dan de menschelijke gerechtigheid doet, die zwaarder misdrijf strafbaar stelt voor het hoogere gericht, voor het Sanhedrin, door Hem met zwaarder straf, dan die op het bloot toornig zijn staat, vergolden.

En eindelijk, wanneer deze onheilige toorn nóg sterker wordt en zich uit in nog hatelijker woord dan Raka, in een woord als Dwaas, wat hier den zin heeft van „booswicht", dan is ook de mate van de schuld voor God nog grooter, dan verdient zulk een mensch de eeuwige straf van het helsche vuur, van de Gehenna, de plaats, die, naar de voorstelling der Joden, voor de pijniging der goddeloozen was bestemd.

Men lette er hier op, dat Jezus wel van de toornigheid en haar minder en meerder sterke uiting in het schimpende woord, maar niet van den moord zelf spreekt.

Dit is zeker niet zonder opzet, en 's Heeren bedoeling is hier dan ook doorzichtig genoeg. Hij toch wilde de Zijnen doen voelen, dat onder hen de moord als daadzonde iets ongehoords moest zijn.

En ook lette men er wel op, hoe, naar de diepe en alleen ware uitlegging van de Wet, die Jezus hier geeft, gemis aan naastenliefde — dit gemis is positief naastenhaat — door alle gradaties heen door God met heilige strengheid vergolden wordt.

Het is deze diepere opvatting van de Wet, als overtreding van het zesde gebod, die heel den zondigen trek van het menschenhart om zijn naaste te haten, onder Christenen zedelijk doet veroordeelén.

En het is deze haat van het natuurlijk hart, die, als hij doorwerkt, het leven van den naaste dan ook doet „verbreken" in stee van het te bewaren.

Het egoïsme, of de in zelfzucht omgeslagen zelfliefde, wordt licht in toorn ontstoken, als de naaste er hinderlijk voor wordt; en de haat van het natuurlijk hart wordt gewekt door den nijd, die echter niet tegen den persoon van den naaste, tegen zijn leven, maar tegen zijn bezit en zijn eere gaat, dus tegen wat bij dat leven bijkomt.

Sluiten