Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VAN 'S HEEREN ORDINANTIËN.

lijdt gij niet liever ongelijk? Waarom lijdt gij niet liever schade?" van i Corinthe 6 : 7, den Christen, ook al is hij vast overtuigd het recht aan zijn zijde te hebben, van een proces zal doen afzien. Bovendien staat in vele gevallen, althans wanneer het een rechtsstrijd onder broederen geldt, deze weg open, dat men de zaak aan het oordeel van een door beide partijen gekozen scheidsgerecht onderwerpt; een weg, waarop dan ook Paulus doelt, wanneer hij aan de Corinthiërs schrijft: „Is er dan alzoo onder u geen, die Wijs is, ook niet één, die zou kunnen oordeelen tusschen zijne broeders?" (i Cor. 6:5.)

Doch is ook deze weg afgesneden en moet een Christen toch zijn recht handhaven, dan staat het hem zeker vrij, al is het zelfs tegenover zijn broeder, de hulp van den burgerlijken rechter in te roepen.

Wat I aulus schrijft in 1 Corinthe 6:1: „Durft iemand van ulieden, die eene zaak heeft tegen een ander, te recht gaan voor de onrechtvaardigen, en niet voor de heiligen?" — kan hier als tegenwerping niet gelden. Dit toch ziet allereerst op de bijzondere verhoudingen, waarin het jonge Christendom zich toen bevond. De toenmalige Overheid was een hetdensche. Toch zou ook dit, op zich zelf, nog geen bezwaar zijn geweest om voor haar te recht te gaan; ook Paulus zelf beroept zich bij Festus, tegenover de Joden, die hem beschuldigen, op den hcidenschen keizer. (Hand. 25:11.) Bovendien wordt door Paulus, blijkens hetgeen hij schrijft in Romeinen 13, ook de heidensche Overheid, wijl opkomend uit de gemeene Gratie, nadrukkelijk als Overheid erkend, en vermaant hij zelfs, dat voor koningen, en allen, die in hoogheid zijn en dat waren toen nog heidenen — zal gebeden worden, opdat wij een gerust en stil leven leiden mogen, in alle godzaligheid en eerbaarheid. (1 Timotheus 2 : 2.) Maar, en dit is de tweede reden, waarom deze plaats uit Corinthe hier niet als tegenwerping kan gelden, de door Paulus berispte Corinthiërs — en dit zullen met name de heiden-Christenen onder hen geweest zijn, want onder Joden was, indien zij onder een heidensche Overheid leefden, de zede van het scheidsgerecht zeer verbreid, — rekenden blijkbaar weinig of niet met al de omstandigheden, welke wij hierboven noemden en die in vele gevallen een Christen van een burgerlijk proces zullen doen afzien.

In een handelsstad als Corinthe was deze neiging om zaken maar dadelijk voor den rechter te brengen, wel te verklaren, doch daarom van Christelijk standpunt nog niet te vergeven.

Is het de plicht der Overheid, als dienaresse Gods, de rechten harer burgers in hun onderling verkeer te beschermen, zoodat ieder hunner rechtszekerheid heeft, het is ook haar plicht en haar recht, het onrecht te wreken, d. w. z. te vergelden.

Dit is haar strafrecht.

Straf in eigenlijken zin is kwaad, dat men iemand doet HiHpn

een kwaad, dat hii gedaan heeft.

4 En tusschen dit tweeërlei kwaad moet dan, opdat er metterdaad

Sluiten