Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET MENSCHELIJK LEVEN'. — DOODSTRAF, NOODWEER ENZ.

vergelding zij, een zekere gelijkheid, een evenredigheid of gelijke verhouding zijn.

Geen mensch nu heeft recht, zijn medemenschen te straffen, dan hij aan wien dat recht door God is geschonken.

En gelijk in het algemeen aan hen, door wier hand het Gode belieft anderen te regeeren, b.v. aan de ouders tegenover hun kinderen, zoo heeft God dit recht om te straffen ook geschonken aan de Overheid.

Zij heeft daarin te handhaven het recht Gods op aarde; in deze haar vergeldende gerechtigheid te openbaren de majesteit Gods ter behoudenis van de maatschappij.

Vandaar dan ook, dat de bedoeling van de straf niet de afschrikking, en evenmin de verbetering, maar de vergelding is; en afschrikking" en verbetering slechts bijkomstig zijn.

Het kwaad nu, waartoe de Overheid gerechtigd is als straf op te ^eÉ5§^n' kan, evenals het kwaad dat bedreven is, vierderlei zijn, en wel al naar de mensch onrecht pleegde tegenover het goed, de eere, de vrijheid en het leven van den naaste.

Over het laatste hebben wij hier bij het zesde gebod te handelen, en dit brengt ons vanzelf op de vraag naar de doodstraf.

Hadden zich reeds in de oude Kerk enkele stemmen tegen de doodstraf ^oe'1 hooren, in later tijd hebben onder de Christenen zich ook de Waldenzen en de Doopers tegen haar verzet.

Het eigenlijk verzet dateert echter eerst sedert de tweede helft der 18de eeuw, toen de jurist Beccaria in 1764 te Milaan een werk uitgaf, waarin hij opkwam tegen vele hardheden in het strafrecht en ook tegen de doodstraf. Dit werk, waarvan twee en twintig vertalingen verschenen, heeft grooten invloed gehad, en in de tweede helft der vorige eeuw is in vele landen, en zoo ook te onzent, de doodstraf afgeschaft.

Dat nu de doodstraf althans aan hem, die opzettelijk en met voorbedachten rade zijn medemensch van het leven heeft beroofd, door de Overheid moet worden voltrokken, is een algemeen-menschelijke ordinantie Gods; een ordinantie, reeds gegeven kort 11a den zondvloed in de woorden van Genesis 9:6: „Wie des menschen bloed vergiet, zijn bloed zal door den mensch vergoten worden; want God heeft den mensch naar Zijn beeld gemaakt." Opmerkelijk is daarbij, dat God niet meer zelf den doodslag" dreigt te wreken, g"elijk Hij aan al wie Kaïn doodsloeg dreigde te doen (Gen. 4: 15), maar hier het strafrecht aan den mensch schenkt. En gelijk nu alle rechtsverhouding in de menschheid na den zondvloed wortelt in het patriarchaal gezag, waaruit zich het Overheidsgezag ontwikkelde, zoo ligt in Gen. 9:6 niet een goedkeuring van de „bloedwraak , waarbij de individu willekeurig optreedt, maar metterdaad de grond voor het strafrecht der Overheid, die! naar Paulus in Romeinen 13 zegt, „het zwaard niet tevergeefs draagt"; die als Gods dienaresse een wreekster is tot straf dengen e die kwaad doet. '

Om het door hem dus vergoten bloed moet het bloed van den moor-

Sluiten