Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET ZEVENDE GEBOD. DE KUISCHHEID.

I.

HET HUWELIJK IN DE MOZAÏSCHE WET.

Gij zult niet echtbreken.

Exodus 20: 14.

Wij komen thans tot de bespreking van het zevende gebod, welke bespreking, evenals die van de nu volgende geboden, een minder uitvoerige dan die van het zesde zal zijn.

Het zesde gebod toch, waarin het gaat om het leven zoo van ons zelt als van onze naasten, vormt met zijn verschillende plichten, welker betrachting moet opkomen uit de heilige liefde, in zekeren zin den grondslag voor wat verder in den decaloog of „de tien woorden" volgt; althans wat betreft het zevende, achtste en negende gebod.

Het tiende toch heeft een gansch eigenaardige positie in den decaloog. Wij hopen daar later nader op terug te komen. _

Hier zij alleen reeds opgemerkt, dat wat met geldt van het tiende gebod: Gij zult niet begeeren ! wèl doorgaat van het zesde, zevende,

achtste en negende gebod.

Deze toch, en niet het tiende, vormen den inhoud van een tweeërlei

wetgeving. , , . . , . .

Moord en echtbreuk, diefstal en valsch getuigen toch worden met alleen in de Goddelijke, maar ook in de menschehjke wet verboden.

Daarom moest dan ook reeds bij het zesde gebod gewezen op de overeenkomst en het verschil tusschen de menschehjke wet, die de Overheid, als dienaresse Gods, aan hare onderdanen uitwendig oplegt en in haar strafrecht handhaaft; en de Goddelijke Wet, die de Heere, als verbijzondering in verschillende ordinantiën van de eene zedewet

*97

Sluiten