Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VAN 'S HEEREN ORDINANTIËN.

van alle plichten: de gehoorzaamheid aan God, het onvoorwaardelijk Gij zult / — zoowel deze zelfplicht als deze naastenplicht hun eenheid hebben in ons willen en handelen overeenkomstig Gods wil. Onkuischheid toch is niet slechts zonde in betrekking tot ons zelf of tot onze naasten, maar allereerst zonde tegen God; overtreden van Zijn Wet; ongehoorzaamheid aan Zijn wil.

Eigenaardig komt dit laatste dan ook uit in het bekende en schoone woord van religieuze zedelijkheid, door Jozef tot de vrouw van Potifar gesproken: „Hoe zoude ik dan dit een zoo groot kwaad doen, en zondigen tegen God!" (Genesis 39:90.)

En eindelijk, wijl bij ieder gebod, en dus ook bij het zevende, zoowel op hetgeen God ons gebiedt als op wat Hij ons daarin verbiedt, dient te worden gezien, zoo hebben wij ook hier weer zoo de positieve als de negatieve zijde; zoo het gebod als het verbod te bespreken. Wijl een systematische behandeling van de lien geboden of de ordinantiën des Heeren voor ons zedelijk leven — waarbij het er op aankomt, aan te wijzen, hoe de heilige liefde de ziel van hun vervulling is, — ook rekening heeft te houden met de omstandigheid, dat de bevestiging altijd eerder is dan de ontkenning; het gebod eerder dan het verbod; zullen wij ook hier weer de bespreking van de positieve aan die van de negatieve zijde van het gebod laten voorafgaan.

Wat dan den zelfplicht tot kuischheid betreft, komt het daarbij allereerst aan op wat we zooeven aanduidden als de inwendige kuischheid.

l ot de vervulling van dezen plicht is de mensch geroepen, wanneer ook bij hem, gelijk bij andere levende wezens, de geslachtsdrift ontwaakt. In heel de organische natuur toch zien wij, hoe, naar Goddelijke ordinantie, eerst gezorgd wordt voor het individu en dan voor de soort. Het individu moet tot zekere mate van rijpheid gekomen zijn om zijn geslacht te kunnen voortplanten.

Zoo bij planten en dieren, zoo ook bij den mensch.

Het kind wordt tot jongeling of jongedochter.

V erstandige ouders zijn verplicht, hun kinderen te wijzen op de gevaren^ die met dit ontwaken der geslachtsdrift zijn verbonden. De vader zijn zoon; de moeder haar dochter.

Deze natuurdrift, op zich zelf niet zondig, is echter, als gevolg van de zonde, bij den mensch ontaard. In haar vaak overweldigende kracht dreigt zij de ziel te knechten onder het lichaam.

Hiertegen moet dan gestreden.

Het lichaam toch moet dienend orgaan of werktuig van de ziel blijven.

En alle bevrediging van de sexueele drift anders dan in het huwelijk, is tegen Gods ordinantie en mitsdien zonde.

Maar ook omdat de mensch naar Gods beeld is geschapen en hij dat beeld, althans in ruimer zin, zij het dan ook verzwakt, óók als zondaar behield, is hij, uit achting voor zich zelf, verplicht, alles te verhinderen wat zijn ziel zou maken tot een speelbal van den wilden lust.

Echte zelfliefde is het zich zelf liefhebben om God; het liefhebben van Zijn beeld in ons.

Sluiten