Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VAN 'S HEER EN ORDINANTIËN.

Wijl de zonde, ook de zonde der onkuischheid, niet in het lichaam — al ontkennen wij niet, dat daarin zekere dispositie voor die zonde kan zijn, — maar in de ziel zetelt, komt het allereerst aan op de bestrijding der inwendige onkuischheid; op het onder de tucht houden van zijn aandoeningen, zijn begeerten, zijn verbeelding.

Onder de tucht van den wil.

Bij menschen, bij wie de natuurdrift krachtig is ontwikkeld — iets wat, het zij nogmaals gezegd, op zich zelf niet zondig is, want het natuurlijke toch is niet zondig, — bestaat het gevaar, dat de begeerte om haar te bevredigen op verboden wijze — en er is maar één door God gebodene: het monogame huwelijk, — zich ook sterk zal doen gelden, en dat dan het denken, het overleggen daar zóó mee bezig is, dat de verbeelding er door wordt bezoedeld. Wakend en slapend droomt de onkuische van wat men noemt het lascieve, het weelderige, het dartele, het uitgelatene. Al wat zijn oogen zien, zet zijn verbindende phantasie om in beelden van het sexueele leven. Hij leeft er in en zijn leven gaat er in op.

Dit nu is den tnensch onwaardig.

Want al heeft ook het sexueele leven zijn waarde, het is toch maar één zijde, en daarbij zeker niet de voornaamste zijde, van het menschelijkleven.

Doch wordt nu deze inwendige onkuischheid niet gebracht onder de tucht van den wil, dan breekt ze noodwendig uit als uitwendige onkuischheid, in blik, in woord, in handeling.

Dat is de gradatie van de zonde.

De ziel van den onkuische stelt de leden des lichaams tot wapenen der ongerechtigheid.

„Ik heb een verbond gemaakt met mijne oogen; hoe zou ik dan acht gegeven hebben op eene maagd?" zegt Job (h. 31:1); maar de onkuische man ziet met oogen van begeerlijkheid ook naar anderen dan zijn eigen vrouw. Toch heeft Jezus ons gezegd: „Zoo wie eene vrouw aanziet, om dezelve te begeeren, die heeft aireede overspel in zijn hart met haar gedaan." (Matth. 5:28.)

Men versta deze Schriftuurplaatsen wèl.

In beide is sprake van den gehuwden man, en zij veroordeelen daarom allerminst, dat ongehuwden elkander zouden aanzien om elkander te begeeren.

Dit laatste toch zou een veroordeeling zijn van het natuurlijke.

Dat een jongeling een meisje aanziet en haar tot zijn vrouw begeert; dat een ongehuwd man het oog slaat op een ongehuwde vrouw, is op zich zelf allerminst zondig. Maar de blik van de onkuischen, de blik der begeerlijkheid, wordt, als zij gehuwd zijn, ook geslagen op anderen dan met wie zij echtelijk zijn verbonden; en, als zij niet gehuwd zijn, ook op de echtgenooten van anderen.

Dat is zonde.

Dat is overspel in het hart bedrijven.

Dat is onrecht tegen God en de menschen.

Sluiten