Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE KTJISCHHEID. — ONKUISCHHEID.

dat iemand tot zes- of zevenmaal zijn trouwbeloften breekt; of in de verloving — gelijk het in sommige streken van ons land zelfs „zede" is — tot een vooruitgrijpen op het huwelijk, wat altijd zonde voor God is, het huwelijk ontwijdt en, wijl niemand zeker is van zijn leven, ellende kan brengen over de verleide en haar kind.

Zeker, een huwelijk zonder liefde, zonder de innige begeerte om elkander in lichamelijk-geestelijke eenheid te bezitten, is onzedelijk ; maar niet minder onzedelijk is een huwelijk uit hartstocht.

Bij zulk een huwelijk toch vraagt men niet meer, of men elkander ook mag bezitten.

En toch, niet ieder man mag trouwen met iedere vrouw.

Daar zijn omstandigheden, die dit verhinderen.

Hoe men ook oordeele over de z.g. „verboden graden van bloedverwantschap", ons in Leviticus 18 genoemd, — waarbij, wat de bekende quaestie betreft of men trouwen mag met de zuster zijner overledene vrouw, zij opgemerkt, dat dit in Lev. 18:18 niet verboden wordt, — vast moet staan, dat de verwantschap binnen de eerste drie graden dient gemeden.

Maar ook een huwelijk tusschen 'n man en 'n vrouw, die öf in stand öf althans in geestelijke ontwikkeling te veel verschillen, dient gemeden, en meer nog het z.g. „gemengde huwelijk". Het huwelijk tusschen een Christen en een niet-Christen, en zelfs tusschen Christenen van verschillende confessie.

Niets toch staat meer in den weg aan de geestelijke eenheid van den echt, dan verschil in geloofsovertuiging. Afgezien nog van de bezwaren, die daaruit voortkomen bij de opvoeding der kinderen, leidt dit tot het groote bezwaar van niet saam te kunnen bidden.

De gepassionneerde, de hartstochtelijke menscli echter rekent met al deze bezwaren niet, en dan komt het tot huwelijk óf te na in het bloed, öf beneden stand, öf met verschil in geloofsovertuiging.

Is het huwelijk de innigst denkbare vereeniging van twee menschen, juist omdat menschen zondaren zijn, kan het alleen gelukkig wezen en blijven, wanneer de gemeene Gratie de zonde in die twee menschen stuit; kan het alleen beiden tot zegen zijn, wanneer de bijzondere Genade de heilige liefde in hun harten doet opbloeien. Waar de heilige liefde, de naastenliefde van 1 Corinthe 13, niet aan de natuurlijke liefde haar wijding geeft, — is het geen Christelijk huwelijk, en waar de gemeene Gratie zich terugtrekt en de zonde dus niet meer wordt ondergehouden, wordt het vroeg of laat een ongelukkig huwelijk.

De zonde vlamt dan al hooger op. Ook de zonde der onkuischheid; de onkuischheid in het huwelijk, tegenover elkander.

Het geestelijke, de „zielsvermenging", zooals Bilderdijk zong, gaat er dan uit weg, en wat blijft, is alleen het zinnelijke.

In dagen van zedelijk verval, als de onze, sluipt dan bovendien de schandelijke zede weer in, om, door gewelddadig ingrijpen in Gods

Sluiten