Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE EIGENDOM. — HET RECHT VAN BEZIT.

bestemd is. In dien zin nu spreken wij van een goed paard, een goed oog, een goede pen, — en noemen wij een mensch goed, wanneer hij, naar zijn bestaan en gedrag, geheel beantwoordt aan datgene, waartoe God hem bestemd heeft.

Daarentegen nu is 'n goed, in tegenstelling met 'n kwaad, alles wat 'n mensch noodig heeft voor de bevrediging van zijn behoeften en waarvan het bezit hem dus gelukkig, het gemis ongelukkig maakt; waaraan hij daarom waarde zal toekennen; waarnaar hij als naar een doel zal streven.

In dien tweeden zin nu wordt het woord goed ook gebruikt in onze Geloofsbelijdenis, wanneer van God wordt gezegd, dat Hij is: „een zeer overvloedige fontein aller goeden."

Wat dit laatste betreft, zij hier gewezen op de groote beteekenis dezer uitdrukking voor de juiste beschouwing van het goed of de goederen. Wij onderscheiden toch van goederen, die, omdat zij geheel onafhankelijk zijn van 's menschen wil, natuurlijke goederen mogen heeten, — zooals leven en gezondheid, lichaamskracht en scherpzinnigheid van geest, — ook andere, die, zooals b.v. de eer en de goede naam, de bekwaamheid en de vaardigheid, een mensch zich moet verwerven en die daarom verworvene goederen heeten. Maar, wijl nu in alle werk des menschen God werkt; wijl Hij de eerste en aller oorzaken Oorzaak is; zoo is Hij ook van deze laatste en dus van alle goederen de Bron. Een zelfde gedachte alzoo, als de Schrift uitspreekt in Jakobus 1:17. „Alle goede gave, en alle volmaakte gift is van boven, van den Vader der lichten afkomende, bij Welken geene verandering is, of schaduw van omkeering."

Hoewel van alle goederen het meest uitwendige en wisselvallige zoodat er trotsch op te zijn of er op te vertrouwen, dwaasheid is, en de Heere Jezus daarom dan ook zegt: „Vergadert u geene schatten op de aarde, waar ze de mot en de roest verderft, en waar de dieven doorgraven en stelen" (Matth. 6 : 19), — is het stoffelijk goed toch metterdaad 'n goed.

'n Mensch heeft het noodig voor zijn geluk. Het is een onmisbare voorwaarde tot een menschwaardig bestaan; menschwaardig ook in dien zin, dat het noodig is voor wat aan het aardsche leven van n mensch zijn hooger waardij geeft. Niet alleen toch voor den „broodkorf", maar ook voor zijn geestelijke ontwikkeling; voor het oefenen van weldadigheid — denk maar aan het: „opdat ik den nooddruftige helpen mag," van onzen Catechismus; — voor het hebben en houden van een eigen levenssfeer, waarin hij zich vrij bewegen kan, heeft hij noodig het stoffelijk goed; heeft hij noodig goed, dat hij zijn eigen kan en mag noemen; dat hem toebehoort, en waarover hij heer is; dat daarom waarde voor hem heeft; waarnaar hij streeft om het te hebben, en dat hij, als hij het heeft, zal willen bewaren.

Eerder dan het beruchte woord van Proudhon (f 1865): „Lapropriétö c'est le vol*: „eigendom is diefstal", zou men kunnen zeggen: „La propriété c'est la liberté'": „eigendom is vrijheid."

Sluiten