Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

E EIGENDOM. — HET RECHT VAN BEZIT.

Schreven wij zooeven, dat er in het verstaan van de geboden des Heeren, en mitsdien in het zedelijk bewustzijn der menschen, verandering, die ook ontwikkeling is, valt te bespeuren, wij drukten dat met opzet zoo uit, omdat er óók achteruitgang, verwording in valt te bespeuren.

Niet het minst in onzen tijd.

Men denke slechts aan de anarchistische theorieën omtrent het gezag, die de menschelijke samenleving; aan die omtrent de vrije liefde, welke het huwelijk en daarmee inzonderheid het gezinsleven bedreigen; theorieën, die veler bewustzijn van goed en slecht vergiftigen en, toegepast in de practijk, naar het bekende woord des Apostels: „Kwade samensprekingen verderven goede zeden" (1 Corinthe 15 : 33) — met het oog op onzen tijd, nu men zoo schrikkelijk veel leest, zou men dit óók kunnen zeggen van kwade lectuur — een kanker zijn voor de zedelijkheid.

Nu zal, althans onder Christenen, wel niemand beweren, dat het huwelijk slecht en de „vrije liefde" goed is; en al hoort men in onze dagen van zonderlinge combinaties, ook van „ Christelijke anarchisten", toch zal, wijl de anarchie op een algeheele ontkenning van de zonde rust, een Christen, die maar eenigszins bij ervaring weet wat zonde is, niet licht beweren, dat de regeeringloosheid goed en dat de uitoefening van en gehoorzaamheid aan het gezag slecht is.

Dit alles echter geldt niet, althans niet in dezelfde mate, van den eigendom.

Op dit stuk toch is er in de zedelijke beoordeeling, óók bij vele Christenen, deels een wijziging, deels een onzekerheid ontstaan, en is mitsdien de vraag, waarop wij zoo straks wezen, opgekomen, óf eigendom metterdaad goed, in den zin van zedelijk-goed, is.

Met name geldt dit van wat men gewoonlijk aanduidt als privaatof individueel eigendom.

Dat nu zulk een onzekerheid wèl over den eigendom en niet over het huwelijk en het gezag kon opkomen, ligt vooral hierin, dat men veel gemakkelijker kan bepalen, wat het gezag en wat het huwelijk, dan wat de eigendom is.

Waar wij in deze bespreking van het achtste gebod ook willen pogen de verwarring van het zedelijk bewustzijn in betrekking tot den eigendom te verhelpen, zal het dus noodig zijn, allereerst te onderzoeken, wat onder den eigendom is te verstaan.

Spreken wij van den eigendom in onderscheiding van het eigendom, wij bedoelen dan niet het stoffelijk goed zelf, maar het recht op dat goed. In dien zin noemden de Romeinen den eigendom of het dominium het recht om een zaak te gebruiken of te misbruiken, en daaraan verbindt zich dan de gedachte aan een volstrekt vrije beschikking. Anderen hebben het gedefinieerd als het recht van den mensch op de vruchten van zijn persoonlijken arbeid.

Nu zal echter ieder, die gelooft in God den Almachtige. Schepper

Sluiten