Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VAN 'S HEEREN ORDINANTIËN.

noch roest verderft, en waar de dieven niet doorgraven noch stelen : want waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn " (Matth. 6 : 19—21.)

Over hetgeen onder dezen hemelschen schat, of schatten in den hemel, die de Heere hier als het onverderfelijke en onvervreemdbare en eeuwige goed tegenover het verderfelijke en verliesbare en tijdelijke goed stelt — is te verstaan, loopen de meeningen uiteen. Ons wil het voorkomen, dat hier niet aan de zaligheid, welke Christus voor de Zijnen heeft verworven, maar wèl aan de heerlijkheid is te denken,

De Schrift toch spreekt ons op meer dan één plaats van een loon, van een loon der genade, en dit loon kan niet anders zijn dan de meerdere of mindere heerlijkheid, die eens in de voor allen gelijke zaligheid zal worden genoten. En de Schrift spreekt ons naast de toegerekende gerechtigheid van Christus ook van een gerechtigheid des Koninkrijks, die de gezindheid, de wilsrichting van Jezus' oprechte geloovigen is. Het is deze gerechtigheid, die zich openbaart in heilige liefde tot God en, om God, ook tot de menschen. En het is dit betoon van liefde, dat, zeker niet uitsluitend, maar toch óók door het geven van aalmoes, door het oefenen van weldadigheid en barmhartigheid schatten vergadert van hemelsche heerlijkheid. In het slotwoord, dat Jezus aan deze uitspraken over den schat in den hemel toevoegt: „want waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn," (Matth. ó : 21 en Luk. I2:34) — wijst Hij eerst op de algemeene waarheid, dat naar de plaats, waar onze schat is, ook uitgaat ons hart. En wijl nu het hemelsche leven, het leven in de gemeenschap met God, het leven met Hem in de eeuwige zaligheid, als het hoogste goed, als dat, waaraan hij de hoogste waarde toekent, en dus als zijn hoogste schat de bestemming des menschen is, moet ons hart ook uitgaan niet naar de aarde, maar naar den hemel.

Opmerkelijk, vooral in verband met wat wij zooeven schreven, dat het betoon van de liefde der geloovigen niet uitsluitend door het geven van aalmoes hun een schat in den hemel vergadert, is daarbij, dat, waar de Heere in Mattheüs 25 het laatste oordeel teekent, Hij onder de werken van barmhartigheid, door de rechtvaardigen verricht, wel het spijzen der hongerigen, het laven der dorstigen, het herbergen der vreemdelingen, het kleeden der naakten, het bezoeken der kranken en der gevangenen (vs. 35 en 36) — maar niet het geven van aalmoes heeft genoemd. Ook voor wie onder Jezus' geloovigen geen aalmoes geven kan, staat toch de weg open, zich een schat te vergaderen in den hemel.

Bleek ons alzoo, dat de Heere den eigendom op zich zelf niet veroordeeld heeft; het bezitten van aardsch goed niet als zonde heeft gebrandmerkt, en ook, dat Hij aan den eigendom slechts een betrekkelijke waarde heeft toegekend, waarbij alles aankomt op het gebruik van het aardsche goed met het oog op 's menschen bestemming voor de eeuwigheid, — toch zijn er ook uitspraken des Heeren, waaruit blijkt, dat Hij in het bezit van aardsch goed eer een nadeel dan een voordeel heeft gezien.

Sluiten