Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE EIGENDOM. — DE THEORIE VAN DE MEERWAARDE.

Daarentegen verstaat Marx onder de rz«7waarde van brood, en evenzoo van olie, den arbeid, die aan de voortbrenging er van is besteed. Een hoeveelheid brood, aan welker productie of voortbrenging even zooveel arbeid is besteed als aan die van een hoeveelheid olie — deze hoeveelheden brood en olie hebben dezelfde ruilwaarde; men kan ze tegen elkaar inruilen, ze voor hetzelfde geld koopen of verkoopen.

Deze tweeërlei waarde — gebruiks- en ruil-wnarde — heeft nu ook de „waar": arbeidskracht, welke de werkman verkoopt en welke de ondernemer koopt.

En gelijk bij alle andere waren, ligt ook bij de „waar": „arbeidskracht van den werkman", de ruilwaarde in den arbeid, die aan de voortbrenging van deze waar is besteed, wat noodig was om de arbeidskracht voort te brengen en te onderhouden; dus de voeding. En het is deze waarde der arbeidskracht, die, gelijk Marx schrijft, „zich dan oplost in de waarde van een bepaalde som van levensmiddelen". Maar gelijk bij alle andere waren, ligt ook bij de „waar": „arbeidskracht van den werkman", de gebruikswaarde in de natuurlijke eigenschappen van een waar, in de waarde, die zij van. nature heeft, b.v. bij het brood in zijn voedende, bij de olie in haar verlichtende eigenschap, en zoo ook bij de arbeidskracht in haar produceerende eigenschap; m. a. w. haar eigenschap om waren of goederen voort te brengen, die ruilwaarde hebben. Deze gebruikswaarde nu volgt ook hier uit de natuur; zij is natuurgave, kost den arbeider dan ook niets, maar is het groote voordeel van den kapitalist.

De ruilwaarde en de gebruikswaarde der arbeidskracht zijn alzoo twee, en „dit waardeverschil", zegt Marx, „heeft de kapitalist op het oog, wanneer hij de arbeidskracht koopt".

Wat de ondernemer betaalt, wat hij vergeldt, is slechts de ruilwaarde van de arbeidskracht; maar wat hij bij dezen koop op het oog heeft en eigenlijk hebben wil, is de gebruiksvraarde van de arbeidskracht, die in haar aanwending ligt. De werkman ontvangt dus slechts den prijs voor de ^«'/waarde van zijn arbeidskracht, voor wat haar produceering gekost heeft, maar geeft daarbij ook de waarde, die van haar gebruik is te maken.

Op zich zelf ligt hierin niets vreemds.

Het gaat ook hier volkomen toe naar de wetten van waarde en ruil. Ieder, die iets verkoopt, ontvangt daarvoor de ruilwaarde, maar staat het gebruik van wat hij verkocht, dan ook aan den verkooper af.

De omstandigheid nu, dat de arbeidskracht van den werkman veel langer duurt, het veel langer uithoudt, veel langer tijd kan blijven werken, dan noodig is om haar voort te brengen; dat de arbeidskracht, die het een heelen dag kan uithouden, maar een halven dag noodig heeft om voortge-

Sluiten