Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE EIGENDOM. — BEOORDEELING VAN HET COMMUNISME.

groote schaal te willen inrichten, vroeg of laat mislukken. De goederen-gemeenschap der Wederdoopers in Munster, de communistische maatschappij New-Harmony door R. Owen, en de nog bestaande, maar door inwendige twisten bedreigde, maatschappij der Icariërs, door Cabet in Iowa gesticht, zijn hier waarschuwende voorbeelden.

Is het, zooals wij straks zagen, een dwaling, dat de privaat-eigendom een gevolg zou wezen van de zonde, eer zou men mogen zeggen, dat zijn opheffing, dat het Communisme een gevolg van de zonde is.

Dit komt reeds uit, indien men bedenkt, waartoe de practijk van het Communisme zou leiden.

Zijn toch gezinsleven en privaat-eigendom onafscheidelijke eischen des natuurlijken levens, het Communisme of de gemeenschap der goederen zou, in grooten stijl toegepast, noodzakelijk tot opheffing van het gezinsleven en daarmee tot gemeenschap van vrouwen en van kinderen leiden. De „vrije liefde" is dan ook metterdaad een der hoofdstukken in het evangelie der „vooruitstrevende vrijzinnigheid", en deze liefde, met kracht doorgezet, zou de tegenwoordige maatschappij doen terugvallen tot die van Hottentotten en Boschjesmannen. De toepassing nu van een beginsel, die tot zulk een verwildering leidt, kenmerkt dit beginsel als zondig.

Metterdaad ware de overgang van de maatschappij mèt in eene zonder privaat-bezit dan ook een proces, een voortgang naar den toestand van de vrijheid der wilden.

Dan, ook in nog anderen zin is het Communisme een gevolg van de zonde.

Het Communisme als theorie komt telkens op naar aanleiding van de tegenstelling tusschen rijk en arm; tusschen overvloed en gebrek.

Deze tegenstelling berust in de zondige menschheid op het zedelijk verschil in vlijt en krachtsinspanning, maar wordt nog versterkt door de zelfzucht, door het egoïsme.

Het Christendom wil deze tegenstelling althans verzachten; de verdrukking van de armen door de rijken tegengaan. Het wil dit echter niet door dwang, niet door het privaat-bezit af te schaffen, niet door de bezitloozen zich te laten vergrijpen aan den eigendom der bezitters; niet door den eigenaar te onteigenen, als het kan zonder, als het moet met geweld.

Kenschetsend voor wat „Christelijk" is, is hier dan ook Jezus' gelijkenis van de „booze wijngaardeniers" (Matth. 21 : 33—41).

De Heere teekent ons daarin eerst een eigenaar, een heer van een wijngaard. Zijn grond met de verdere productie-middelen — omheining, wijnpersbak en toren — verhuurt deze „kapitalist" aan eenige landlieden, die nu als wijngaardeniers den wijngaard voor hem zullen bearbeiden.

Van 's Heeren Ordinantiën. IV. 18

Sluiten