Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VAN 'S HEEREN ORDINANTIËN.

Waarschijnlijk hebben wij het verhuren, het „uit-" of „overgeven" van den wijngaard, ons te denken als een pachtcontract, waarbij de pacht moest worden voldaan met een deel van de vruchten des wijngaards. In ruil voor hun arbeid èn voor het gebruik der arbeidsmiddelen, ontvingen dan de landlieden het ander» deel. De vermelding van den „wijnpersbak" wijst er op, dat zij dit hun deel dan verder mochten bewerken.

Daarop^ teekent de Heere ons het oogenblik, „dat de tijd der vruchten genaakte". Zonderlinge begrippen op het stuk van „mijn" en „dijn" toonen dan deze huurders van den wijngaard te hebben. In plaats van den dienstknechten, die de eigenaar gezonden heeft om zijne vruchten te ontvangen, die vruchten te geven, slaan zij, dooden en steenigen zij deze ophaalders van de pacht. Met een tweede bezending, grooter in aantal dan de eerste, handelen zij eveneens; en als ten laatste de eigenaar zijn zoon zendt, blijkt het, dat het hun niet alleen om de aan den landheer toekomende vruchten, maar om heel diens eigendom te doen is. ^Zij willen niet minder dan: „de wijngaard voor de wijngaardeniers /" Zij toch zeggen onder elkander: „Deze is de erfgenaam, komt, laat ons hem dooden, en zijne erfenis aan ons behouden." (vs. 39.) En dan werpen zij den zoon van den eigenaar buiten den wijngaard en dooden hem, om zoo mogelijk den eigenaar van den wijngaard te onteigenen, en den wijngaard tot hun gemeenschappelijk eigendom te maken.

En ten slotte, wel verre van deze poging tot omzetting van privaatin gemeenschappelijk eigendom, afgezien nog van de gewelddadige en moorddadige wijze waarop zij plaats greep, goed te keuren, toont Jezus in de vraag, die Hij tot Zijn hoorders richt: „Wanneer dan de heer des wijngaards komen zal, wat zal hij dien landlieden doen?" (vs. 40) dat Hij haar afkeurt. Wanneer zij dan ook, als antwoord op Zijn vraag, zeggen : »Hij zal den kwaden eenen kwaden dood aandoen, en zal den wijngaard aan andere landlieden verhuren, die hem de vruchten op hare tijden zullen geven," (vs. 41) is dit blijkbaar de zedelijke beoordeeling, welke Hij bedoelde uit te lokken.

En wijl nu hetgeen de Heere Jezus leert zeker wel „Christelijk" mag heeten, is het handhaven van den privaat-eigendom tegenover hen, die er zich aan vergrijpen, zeer zeker ook „Christelijk".

Maar niet minder „Christelijk" is ook, de tegenstelling tussclien overvloed en gebrek te verzachten. Wat Johannes de Dooper populair uitdrukte met zijn: „Die twee rokken heeft, deele hem mede, die geen heeft; en die spijze heeft, doe desgelijks," (Luk. 3:11) dat is in dit opzicht de grondgedachte der Christelijke zedelijkheid. Niet de afschaffing van den privaat-eigendom; niet de gelijke verdeeling der goederen, maar wel, dat de overvloed eenerzijds niet het gebrek late bestaan, is eisch van de Christelijke, van de heilige naastenliefde.

Zij, de liefde van den rijke, kan den armen broeder geen gebrek

Sluiten