Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE EIGENDOM. — BEOORDEELING VAN HET SOCIALISME.

beantwoordt. Geen man van wetenschap en van fijn besnaard gemoed zal zich in onzen tijd kunnen vinden in het materialisme. Maar ook uit oogpunt van methode ter beoefening der historie is deze opvatting der geschiedenis onbruikbaar.

Onbruikbaar door hare eenzijdigheid.

Het oeconomische leven of de voortbrenging en de ruil van het stoffelijk goed moge in het saamleven der menschen, evenals in het leven van den eenling, al een belangrijke plaats hebben, de zorg voor het „brood", voor den materieelen welstand, is metterdaad niet het hoogste voor een menschwaardig bestaan. Reeds Plato noemde een Staat, een samenleving waarin geen hooger goed werd nagestreefd dan dat zijn burgers volop voedsel hadden, een „zwijnenstaat", en de meerdere dan Plato, de Christus, heeft gezegd: „De mensch zal bij brood alleen niet leven, maar bij alle woord, dat door den mond Gods uitgaat." (Mattheüs 4:4.) De productie der gebruiksgoederen is ondergeschikt aan het streven naar de voortbrenging van de hoogere, de geestelijke goederen. Het gaat daarom niet aan, zoo al niet uitsluitend, dan toch in laatste instantie de gansche ontwikkeling der menschheid uit hare oeconomische verhoudingen te willen verklaren; de techniek der natuurbearbeiding tot den onderbouw, het fundament van het gebouw der menschelijke samenleving te maken.

Zeker, de mensch is een geestelijk, maar ook een stoffelijk wezen. Er is een wisselwerking van bewustzijn en zijn ; van ziel en lichaam. En ook in de samenleving der menschen is deze wisselwerking. Voor de verklaring van historische verschijnselen moet daarom óók rekening gehouden met de beteekenis der materieele dingen, en dus ook met de oeconomische verhoudingen. Dat men echter, ook zonder de materialistische opvatting der geschiedenis te deelen, met dezen factor rekenen kan, toonde onze groote historicus Fruin, toen hij o. a. in het bericht van een Engelschman, dat in 1641 „op de Rotterdamsche kermis zooveel schilderijen, in het bijzonder landschappen en kluchtstukken te koop waren, en dat de oorzaak van dezen overvloed en geringen Prijs der schilderijen lag in gemis van landerijen en andere geldbelegging, zoodat toen een boer wel twee- of driehonderd pond in schilderijen stak, een verklaring vond van den plotselingen en voorbeeldeloozen bloei van de schilderkunst in ons land; een verklaring tevens, waarom onze meesters hun groot talent, juist omstreeks dien tijd, zoo vaak aan onwaardige tafereelen, als in de kluchtstukken, hebben besteed.

Maar dit óók rekening houden met de materieele dingen, met de oeconomische toestanden, is nog iets anders dan er, zoo al niet uitsluitend, dan toch in laatste instantie de oorzaken der geschiedenis in te zien, gelijk de materialistische opvatting doet. Een opvatting, minstens even eenzijdig als de ideologische met haar „leidende" ideeën.

En eindelijk is Marx' materialistische opvatting van de geschiedenis, waar zij in enger zin pragmatisch wil zijn, waar zij het verleden als

Sluiten