Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VAN 'S HEEREN ORDINANTIËN.

ieder nu, die niet de theorie der meerwaarde te verdedigen heeft en daarom niet vast staat in de leer, dat de arbeid alleen en uitsluitend de ruilwaarde bepaalt, zal toegeven, dat de bruikbaarheid van een waar, voor de bepaling van haar waarde, zoo al niet het eenige, dan toch het eerste is, waar men rekening mee houdt. De arbeid, aan het voortbrengen der waren besteed; de arbeid, die er in zit, moge ook en zelfs veelal invloed hebben op de bepaling der waarde, maar zeer ver is het er van af, dat de arbeid hier het eenige zou zijn; dat arbeid zonder meer reeds waarde zou scheppen. Te recht is hier door een der bestrijders van het Marxisme als voorbeeld gewezen op, met de grootste inspanning, zoodat er heel wat arbeid in zit, uit bordpapier vervaardigde schoenen, die desniettemin, omdat zij onbruikbaar zijn, geen ruilwaarde hebben, niet zijn te verkoopen.

Zeker, daar zijn dingen, zooals de lucht en het daglicht, die uitsluitend gebruikswaarde en geen ruilwaarde hebben. Dan, hieruit volgt niet, dat er ook dingen kunnen zijn, die ruilwaarde hebben zonder dat zij ook gebruikswaarde hebben; volgt alleen, dat bij de gebruikswaarde nog iets bij moet komen om ruilwaarde te doen ontstaan. Dit bijkomstige nu kan zeker de arbeid zijn; doch ook weer niet eens altijd. Men denke b.v. aan een mineraalwaterbron of een petroleum bron, aan guano, die door de zeevogels is aangebracht —, dingen die zeker en gebruikswaarde en ruilwaarde hebben, en die toch geen producten van arbeidskracht zijn, waarin geen atoom menschelijke arbeid zit.

De leer alzoo, dat de ruilwaarde alleen en uitsluitend bepaald wordt door den arbeid, die in de waren is vervat, is alzoo onjuist.

Is nu deze waardeleer onjuist, dan volgt daaruit ook de onjuistheid van de theorie der meerwaarde, die op haar gebouwd is.

Al is het nu ook juist, dat wat de ondernemer koopt, niet de arbeid, maar de arbeidskracht van den werkman is; dat de werkman, die zich zelf bij contract aan den werkgever verhuurt, daarbij tegen loon zijn arbeidskracht verkoopt; onjuist is, dat de ruilwaarde van de waar. menschelijke arbeidskracht, alleen en uitsluitend door haar productie, ^ door haar kosten van voortbrenging zou worden bepaald. Dit toch is een gevolgtrekking uit Marx' onjuiste waardetheorie: dat de ruilwaarde van een waar alleen en uitsluitend wordt bepaald door den arbeid, die in haar vervat is.

De arbeid, in de waar: arbeidskracht, vervat, zou dan zijn het resultaat van al wat de arbeider voor zijn levensonderhoud noodig heeft, bepaaldelijk zijn voeding.

De physieke sterkte, de spierkracht van den arbeider zou dus de eenige en uitsluitende waarde van zijn arbeidskracht zijn, en deze waarde zou dan met een daarmee overeenkomstig loon worden vergolden. Een werkgever, die zijn werkman dus juist zooveel loon geeft, dat hij den kost heeft, zou daarmee voldoen, en om de kapitalistische bedrijfswijze te oordeelen, beweert Marx dan ook, dat hij voldoet. Heel het loonstelsel toch is volgens hem verkeerd.

Sluiten