Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE EIGENDOM. — GROND EN VERWERVING ENZ.

De geschiedenis wijst er ons op, hoe onder alle volkeren en in alle tijden de privaat-eigendom voorkomt; hoe het besef van het mijn en dijn bij alle menschen wordt aangetroffen. Welnu, zulk een algemeen menschelijk verschijnsel kan niet vrucht zijn van afspraak of overeenkomst, maar moet eigen zijn aan de menschelijke natuur. Evenals de religie en de zedelijkheid en de taal niet maar door overeenkomst zijn ontstaan, maar van nature den mensch eigen zijn, zoo ook het eigendomsrecht.

Het gaat dan ook, zooals wij reeds in een vroeger hoofdstuk hebben aangewezen, niet aan, te zeggen, dat de privaat-eigendom een gevol2; zou wezen van de zonde. Afgezien toch van het verderf, dat de zonde in de menschelijke natuur heeft aangericht, behoort het eigendomsrecht tot de natuur des menschen

En dat dit zoo is, komt ook hierin uit, dat 'n ieder, die geen communistische of socialistische theorieën te verdedigen heeft, maar de dingen onbevooroordeeld beziet, van de innerlijke noodzakelijkheid van den individueelen eigendom overtuigd moet zijn.

Zonder eigendomsrecht in den hierboven bedoelden zin, is geen menschelijk saamleven en in dat saamleven geen menschwaardisbestaan mogelijk.

Immers, waar dit recht ontbrak, zou zoowel de maatschappelijke orde als de individueele vrijheid ontbreken. Niemand ware zeker van de middelen, noodig voor zijn bestaan; niemand zou een sfeer hebben, waarbinnen hij zich vrij kon bewegen.

Verder, zonder den privaat-eigendom zou ook de groote prikkel tot arbeidzaamheid ontbreken. IVTen moge nog zoo hoog opgeven van 's menschen passie voor den arbeid, zelfs voor 'n bepaalden arbeid, de ervaring leert, dat, bij de traagheid der menschelijke natuur, niemand arbeidt zonder een doel. Ieder zoekt met zijn arbeid zijn voordeel.

Met name geldt dit van den stoffelijken arbeid. „Wie dient ooit in den krijg op eigene bezoldiging ? wie plant eenen wijngaard, en eet niet van zijne vrucht? of wie weidt eene kudde, en eet niet van de melk der kudde?" vraagt de Apostel in 1 Corinthe 9 : 7. En ook wij zouden kunnen vragen: Wie getroost zich de inspanning van den arbeid, wie verkoopt zijn • arbeidskracht, zonder daarbij zijn voordeel op het oog te hebben ? Maar tot dit voordeel, tot wat men boven anderen en op anderen voor heeft, moet dan ook behooren de zekerheid, dat men over wat zijn arbeid opbrengt, vrij kan beschikken; dat men zelf en niet een ander er over te zeggen heeft.

En eindelijk zou het, zonder den privaat-eigendom, ook niet komen tot die verdeeling van arbeid, welke, naar wij vroeger, bij de bespreking van het vijfde gebod, hebben gezien, een eigenaardigheid der zich ontwikkelende menschelijke samenleving is. Niemand toch zou er toe

Sluiten