Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE EIGENDOM. — ERVEN.

eigenaar van den oever ook de eigenaar van het aangeslibde land. . a" meer belang zijn echter al die middelen tot verwerving- van eigendom, waarbij bestaand eigendom van den eenen eigenaar op den anderen overgaat.

XI.

ERVEN.

Want waar een testament is, daar is het noodzaak, dat de dood des testamentmakers tusschenkome; want een testament is vast in de dooden, dewijl het nog geene kracht heeft, wanneer de testamentmaker leeft.

Hebreén 9 : 16 en 17.

Het is bij erven, dat eigendom van de gestorvenen op de levenden overgaat. 1

, menscl? heeft hier °P aarde geen blijvende stad. Demenschheid blijtt maar de menschen komen en gaan in de voortdurende golving van het geboren worden en sterven. En in de kortere of langere tijdgrens tusschen geboorte en dood — de Schrift zegt: „zoo wij zeer sterk zijn tachtig jaren" (Ps. QO : 10) _ ligt dan het aarde-leven Zal dit aarde-leven voor 'n mensch gelukkig zijn, dan is daartoe ook noodig eigendom op stoffelijk goed; noodig, dat hij heeft wat hij het zijne kan noemen. Want eigendom is vrijheid.

Bij zijn verlaten van deze wereld, bij de scheiding tusschen zijn

achterlaten" ^ ^ mensch echter ziJn aardsche goed

Reeds Job zeide, dat, gelijk hij naakt uit den schoot zijner moeder was geboren, hij ook als een arme en berooide in den schoot der moeder-aarde zou terugkeeren. (h. 1: 21.) Het woord, dat gij telkens kunt opvangen uit den volksmond: „wij kunnen niets meenemen", vindt ge ook, en is misschien daaraan ontleend, in den psalm, die, zingend Va,n . e /Jdelheid der aardsche goederen, van den rijke uitzingt: hij 7.1il in zijn sterven niet met al medenemen." (Ps. 49: 18.) En "de Apostel zegt: wij hebben niets in de wereld gebracht; het is openbaar, dat wij ook niet kunnen iets daaruit dragen." (1 Tim. 6 : 7.) Alaar dit is ook niet noodig.

Want hoe noodig in ons zinnelijk-geestelijk bestaan het stoffelijk goe ook is, hi den „staat der afgescheidenheid", in haar bloot geestelijk bestaan, mist de ziel het niet; aan haar zaligheid doet het niet af, aan haar onzaligheid niet toe.

Het is echter Gods bestel, 's Heeren ordinantie, dat het goed, dat de mensch op aarde bij zijn sterven achterlaat; dat hem bij de vervulling van zijn levenstaak gediend heeft; waarop hij recht had — niet verloren ga, maar weer anderen, die in zijn plaats treden diene-

Sluiten