Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VAN 'S HEEREN ORDINANTIËN.

als: potentieel en actueel! En wij hebben ze van niemand anders dan van den heiden Aristoteles.

Bedoelde onderscheidingen nu, welke de wijsgeer van de Gerechtigheid. geeft, vindt men het uitvoerigst besproken in het vijfde boek van zijn merkwaardig werk, dat op de latere beoefening der zedeleer, ook der Christelijke zedeleer, van zoo ver strekkenden invloed is geweest, — in de, naar zijn zoon Nikomachus genoemde Ethika.

De eerste onderscheiding dan, welke hij hier maakt, is die tusschen de gerechtigheid in ruimer en enger zin.

In ruimer zin is de gerechtigheid de zedelijke deugd in de relatie tot onze medemenschen; het fundament van een goede samenleving, bepaald van de staatsgemeenschap; de iustitia civilis, de „burgerlijke gerechtigheid", zooals men later zal zeggen.

In etigcr zin echter is de gerechtigheid, dat men tegenover zijn medeburgers ze in alles niet te veel en ook niet te weinig wil doen toekomen; daarbij dus het „midden" wil houden; en haar grondbeginsel is de gelijkheid, waartegenover staat de ongelijkheid.

Bij de beoefening dezer deugd zal er dus in betrekking tot de zoo geestelijke als stoffelijke goederen een verhouding van gelijkheid zijn.

Ieder zal ontvangen het zijne.

Deze gerechtigheid in enger zin, en hier komen wij tot een volgende onderscheiding, is echter weer tweeërlei.

In de eerste plaats toch moet de verhouding van gelijkheid onder burgers van den Staat betracht bij de verdeeling van eer en andere burgerlijke voordeelen. Dit nu is de z.g. verdeelcndc of uitdeelende gerechtigheid, iustitia distributiva.

In de tweede plaats moet die verhouding onder hen betracht bij het verhinderen of herstellen van rechtskrenkingen. Dit nu is de verbeterende gerechtigheid, iustitia e?nendativa, bij welke Aristoteles dan, zooals wij straks nader zullen zien, wederom twee onderscheidingen maakt.

Sommigen hebben Aristoteles' bedoelen hier aldus omschreven, dat het bij uitdeelende om het publick-, bij verbeterende gerechtigheid om het privaat-recht gaat.

Aristoteles zelf heeft de tweeërlei verhouding van de gelijkheid hier nog nader uitgewerkt. In de wiskunde spreekt men van een meetkunstige evenredigheid, b.v. 12:4 = 6:2 en van een rekenkunstige, b.v. 11—8=10 — 7.

Sluiten