Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE EIGENDOM. — VERWISSELENDE GERECHTIGHEID.

in den mensch ingeschapen drift tot zelfbehoud. Ieder wezen tracht in zijn bestaan te volharden, en tot dat voortbestaan is reeds voor de hoogere dieren, en in sterkere mate nog voor den mensch, eigendom noodig. De vossen hebben hun holen en de vogelen des hemels hun nesten, en meer nog dan de vos en de vogel heeft de mensch noodig een plek op aarde, die hij de zijne kan noemen, waar hij het hoofd kan neerleggen.

En gelijk alle natuurdriften is ook die naar bezit in zich zelf zedelijk onverschillig, d. w. z. goed noch slecht. Zij zijn dit eerst, wanneer zij tot begeerten zijn geworden; tot goede of slechte begeerten; tot begeerten, die al dan niet tegen Gods gebod ingaan.

Deze natuurdrift, straks — wanneer zij eenmaal bevredigd is — deze begeerte naar bezit, naar eigendom, is onder alle zinnelijke driften en begeerten een van de machtigste.

Eigendom is, zooals wij reeds in het eerste hoofdstuk over het achtste gebod vonden, het recht, dat een persoon op een zaak heeft, met uitsluiting van ieder ander persoon. Het recht om van een zaak het vrij genot te hebben en daarover op volstrekte wijze te beschikken, zij het dan ook, dat dit beschikken aan zekere voorwaarden gebonden, binnen zekere grenzen beperkt is.

En dit recht, deze bevoegdheid schept den mensch een sfeer, een kring, waarin hij zich vrij kan bewegen; waarin hij het aardsche goed, dat hij, als middel tot behoud, tot verfraaiing van zijn leven, noodig heeft, naar zijn wil kan gebruiken; waarin hij door niemand onbevoegd mag gestoord.

Eigendom is vrijheid.

Vrij te zijn, is een van onze sterkste begeerten; daarom is ook een van onze sterkste begeerten die naar bezit, naar eigendom.

En wel bepaald naar privaat-, naar individueel eigendom; naar wat de mensch het zijne mag noemen. Want wel is de mensch óók gemeenschapswezen, en daarom kan ook het gemeenschappelijk eigendom, dat wat hij het onze mag noemen, hem wel tot op zekere hoogte bevredigen ; doch wijl zijn egoïstische neigingen sterker zijn dan zijn altruïstische, vindt hij eerst ten volle bevrediging in het individueele bezit.

Daarom is het Communisme en het doorgevoerde Socialisme tegennatuurlijk. Want moge al communaal naast privaat-bezit, met name communaal bezit van grond en bodem, voor de bevrediging van behoeften der menschelijke natuur niet onvoldoende zijn, een menschelijke gemeenschap, waarin niemand iets het zijne kan noemen, waarin de tegenstelling tusschen het mijn en dijn in betrekking tot het stoffelijk goed heel niet meer bestaat, voldoet aan die behoeften zeker niet. Zie maar, hoe uw kinderen niet alleen tegenover vreemden van ons huis, maar ook, met sterk besef van eigendomsrecht, tegenover elkander spreken van mijn kleeren en mijn speelgoed.

Sluiten