Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE EIGENDOM. — VERWISSELENDE GERECHTIGHEID.

De deugden van de oekonomia of de huishouding, d. w. z. het besturen van het huis, van de regeling der inwendige zaken van het huis of het gezin, waarin wij als de eerste en meest natuurlijke gemeenschap geboren worden en leven. De deugden met name van den deugdelijken huisvader en de deugdelijke huisvrouw. De deugden van vlijt en ordelijkheid, van voorzichtigheid en spaarzaamheid.

En het is dan de heilige liefde, die ons niet maar alleen vlijtig en ordelijk, voorzichtig en spaarzaam doet zijn, omdat het nuttig is, maar omdat wij ons zelf in en om God liefhebben.

Naast erven en schenking wordt dan ook alleen door zoo te willen en te handelen, eigendom op rechtmatige en zedelijke wijze verworven en bewaard.

Is het arbeiden een Scheppingsordinantie Gods, reeds vóór het bericht van den val lezen wij, dat God den mensch in den hof van Eden zette om dien te bouwen en te bewaren (Genesis 2:15); moet de mensch door zijn arbeiden de natuur in den ruimsten zin maken tot een werktuig, een orgaan van den geest, haar opdrukken den stempel van zijn geest. Arbeiden, voor de gemeenschap nuttig arbeiden, is een algemeene plicht. Ieder, tenzij hij er lichamelijk ongeschikt toe is, moet arbeiden; arbeiden, hetzij met zijn handen, hetzij met zijn hoofd. En wijl het geregeld bezig zijn met een bepaalden arbeid het beroep is, moet ieder mensch een beroep hebben. Onze Heidelbergsche Catechismus spreekt bij het achtste gebod van „trouw arbeiden". Inde Latijnsche uitgave staat: sedulo et jideliter, d. i. „gezet" of „met vlijt" en „trouw". Vlijt en arbeidstrouw maakt het arbeiden, de uitvoering van iets met het oog op de daaraan verbonden krachtsinspanning, deugdelijk. En in ons huwelijksformulier wordt dan ook den man als zijn plicht voorgehouden: getrouw en naarstig in zijn goddelijk beroep — op dat „goddelijk" hopen we nog nader terug te komen — te arbeiden, opdat hij zijn huisgezin met God en met eere mag onderhouden. Is het beroep allereerst de gezette arbeid van den mensch, waardoor hij in het onderhoud van zich zelf en zijn gezin voorziet, het spreekwoord der oude rabbijnen, „dat, zoo iemand niet wil werken, hij ook niet ete", houdt ook de Schrift, in 2 Thessalonicensen 3:10, ons voor. Maar ook hij, die, door zijn uit eigen arbeid of uit erven verkregen bezit, van de zorgen voor het levensonderhoud van zich zelf en zijn gezin is ontslagen, is daarom nog niet ontslagen van den plicht tot arbeiden, van het uitoefenen van een beroep. Een mensch „zonder beroep", d. i. een mensch, die, terwijl hij daartoe geschikt, nog geschikt is, noch in de maatschappij, noch in den staat, noch in de kerk eenigen geregelden arbeid verricht, staat schuldig aan zonde van nalatigheid ; overtreedt de Scheppingsordinantie van den arbeid. Zulk een „ledigganger" is, zoo al geen onnut, dan toch een onzedelijk lid in de maatschappij.

De Economie moge al „een recht op nietsdoen" kennen, de Ethica

Van 's Heeren Ordinantiën. IV. 22

Sluiten