Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VAN 'S HEEREN ORDINANTIËN.

erkent, althans voor de tot arbeiden nog geschikten mensch, zulk een recht niet. Zeker, daar is een tijd in het menschelijk leven, waarin de arbeidskracht op ieder gebied gaat ontbreken; waarin de nacht komt, waarin niemand meer werken kan.

En het ware onbillijk, te eischen, en wordt dan ook door God niet geöischt, dat wie ijverig gewerkt heeft zoolang het dag is, op den laten levensavond nog beroepsarbeid zou moeten verrichten. Maar heel anders staat het met hen, die, zonder zelf ooit eenigen arbeid te hebben verricht, in hun levensonderhoud voorzien uit de vruchten van den vroegeren arbeid van hun voorgeslacht.

Het moge al waar zijn, dat zij zeer nuttig kunnen wezen door wat zij betalen voor hetgeen zij verteren, maar met dat al zijn zij onzedelijk, daar zij niets doen in ruil voor wat hun medemenschen iederen dag doen voor hen. Allerminst valt hieruit een argument af te leiden tegen het erfrecht, de erfelijkheid van den eigendom, die even natuurlijk is als de erfelijkheid in het algemeen. Alleen springt hier in het oog een misbruik van het erfgoed. En hij, die het voorrecht heeft, te kunnen leven van de vruchten van den vroegeren arbeid van zijn voorgeslacht, zal zich daartoe dan alleen ook het zedelijk recht verwerven, indien hij zijn tijd, dien hij tot verrichten van arbeid ter voorziening in zijn levensonderhoud niet noodig heeft, gebruikt tot arbeid ter voorziening in de stoffelijke of geestelijke behoeften zijner medemenschen; gebruikt tot arbeiden in den dienst van kerk en staat, van wetenschap en kunst.

Is alzoo arbeid, en wel allereerst arbeid ter verwerving van eigendom, voor ieder een plicht, niemand heeft recht op arbeid. M. a. w. niemand die arbeiden wil, maar geen werk kan vinden, geen grondstoffen en werktuigen heeft tot zijn beschikking, heeft het recht, van den Staat te eischen, dat deze hem die verschaffe. En evenmin heeft hij, die arbeidskracht mist en dus niet in zijn onderhoud kan voorzien, recht op onderstand, het recht om van den Staat te eischen, dat die in zijn onderhoud voorzie.

Is arbeid, trouw en vlijtig arbeiden, een zedelijk middel tot verwerving van eigendom, ook ordelijkheid, het „in orde houden van zijn zaken", van de voorwerpen, die men bij zijn arbeid gebruikt, van de dingen die men door zijn arbeid voortbrengt; het „orde houden op zijn zaken", het houden van rekening van ontvangst en uitgaaf, het „boekhouden" in huishouding en bedrijf — is daartoe noodig. En evenzeer is het plicht, bij het verwerven van eigendom de voorzichtigheid te betrachten. Zich geoorloofde voordeelen ten nutte te maken en nadeelen zooveel mogelijk, b.v. door „verzekeringen", af te wenden. En eindelijk is, zoo bij het verwerven als het bewaren van eigendom, de beoefening van spaarzaamheid plicht; de spaarzaamheid, waarin Jezus ons voorging, toen Hij na de wonderbare spijziging Zijn discipelen beval: „Vergadert de overgeschotene brokken, opdat er niets verloren ga." (Joh. 6: 12.)

Sluiten