Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE EIGENDOM. — DES NAASTEN EIGENDOM.

De deugd van het sparen, van het ontzien van het stoffelijk goed, waarvan^ hetzij als natuurgave, hetzij als product van menschelijken arbeid, God in volstrekten zin de Eigenaar, en wij slechts de aan Hem verantwoordelijke bezitters zijn; van het met matigheid, met zelfbeperking gebruiken en genieten van het stoffelijk goed, en wel zoo, dat wij ons daarbij èn voor verkwisting èn voor vrekheid wachten.

In het besef onzer afhankelijkheid van God ook in het verwerven en bewaren van de voor ons lerensonderhoud noodige goederen; noodig ook voor ons dienen van Hem; zal aan het arbeiden zich steeds paren het bidden tot Onzen Vader: Geef ons heden ons dagehjksch brood. Dat is: Wil ons met alle nooddruft des lichaams verzorgen, — opdat wij daardoor bekennen, dat Gij de eenige oorsprong alles goeds zijt, en dat noch onze zorg en arbeid, noch Uwe gaven, zonder Uwen zegen ons gedijen, en dat wij derhalve ons vertrouwen van alle schepselen aftrekken en op U alleen stellen." (H. C. antw. op vr. 125.)

XV.

DES NAASTEN EIGENDOM.

En gelijk gij wilt, dat u de menschen doen zullen, doet gij hun ook desgelijks.

Lukas 6:31.

Na in het laatste gedeelte van het vorige hoofdstuk te hebben bezien, wat het achtste gebod ons oplegt in betrekking tot ons eigendom, hebben wij dit thans te doen voor wat dat gebod ons oplegt in betrekking tot des naasten eigendom.

Ons rest dan nog, ook hier, evenals bij de bespreking der andere geboden, de schaduw- tegenover de licht-zijde, het verbod tegenover het gebod te bezien, en dat weer zoo in betrekking tot ons, als tot vreemd eigendom.

Eerst dan alzoo, wat het achtste gebod als 's Heeren ordinantie, als Gods geopenbaarde wil voor ons willen en handelen, in betrekking tot des naasten eigendom ons oplegt.

Onze naaste is in den ruimsten zin wel onze medemensch, maar in enger zin ieder mensch, dien God naast ons zet, en dat kan dan

Sluiten