Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VAN 'S HEEREN ORDINANTIËN.

zijn onze bloedverwant, onze huisgenoot, onze volks- en onze geloofsgenoot, maar dat kan ook zijn een, die van dat alles niets is. Wij doen dan ook beter met niet te vragen: „Wie is mijn naaste?" maar eer, zooals ons Jezus, in Zijn woord uit de gelijkenis van den Samaritaan: „Wie dan van deze drie dunkt u de naaste geweest te zijn desgenen, die onder de moordenaars gevallen was?" (Lukas 10 : 36) — dat geleerd heeft, te vragen: „Wiens naaste ben ik?" Wie mijn naaste is, toch hangt er van af, wien God op een gegeven oogenblik naast mij zet; wiens naaste ik dan ben.

En hem, wiens naaste ik dan ben, moet ik liefhebben, omdat hij is een mensch: „Een zeker mcnsch kwam af van Jeruzalem naar Jericho." Liefhebben als mij zelf, want: „Gij zult uwen naaste liefhebben als u zeiven." (Matth. 22 : 39.)

Als u zeiven.

Niet in gelijke mate, maar op dezelfde wijze.

Op dezelfde wijze zooals ik mij zelf moet liefhebben, en wel om God, omdat ook die naaste Zijn schepsel is; omdat ook hij draagt Zijn beeld; omdat ook hij is Zijn kind. Zoo is het Gods wil, Zijn Wet. Zijn Wet voor alle menschen. En daarom is dit liefhebben van den naaste niet, zooals men wel eens zegt, het Christelijke, maar juist het algemeen menschelijke; al blijft het ook waar, dat wij, menschen, naar dit gebod eerst als Christenen gaan willen en handelen.

En daarom eischt dan ook dezelfde Wet des Heeren, dat wij het eigendom van den naaste — dat ook hij tot volharding in zijn bestaan hier op aarde, ter vervulling van zijn levenstaak, noodig heeft — zullen eerbiedigen.

De heilige liefde, die, opbloeiend uit het zaligmakend geloof, ons goed doet willen, wijs en trouw, matig en rechtvaardig, zal ons ook in betrekking tot het eigendom van den naaste goed doen willen en handelen. Het is deze liefde, die hier de burgerlijke of maatschappelijke deugd der rechtvaardigheid, bepaaldelijk der, in het eerste deel van het vorige hoofdstuk besproken, verwisselende rechtvaardigheid, tot een echt zedelijke deugd maakt. Het is deze liefde, die den „gulden regel" der wederkeerigheid: „En gelijk gij wilt, dat u de menschen doen zullen, doet gij hun ook desgelijks," (Lukas 6:31, vgl. Matth. 7:12) haar echte zedelijke beteekenis geeft.

Deze deugd nu der verwisselende rechtvaardigheid of der „iustitia commutativa", zal ons in het „verkeer", of bij den ruil van onze zaken en ons eigendom met de zaken van en den eigendom van anderen, de „gelijkheid" doen willen en dienovereenkomstig handelen; zóó doen willen en handelen, dat wij ieder het zijne geven, gelijk wij ook willen, dat ieder ons het onze geeft.

Deze rechtvaardigheid omvat zoovvel de gerechtigheid als de billijkheid.

Sluiten